De verdachte werd door de politierechter veroordeeld voor witwassen van contant geld, waarbij een taakstraf van 60 uur werd opgelegd en inbeslaggenomen geldbedragen werden verbeurdverklaard. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in.
Het hof heeft het vonnis van de politierechter integraal bevestigd. De verdediging voerde aan dat het geld afkomstig zou zijn van een overleden betrokkene en dat het Openbaar Ministerie onvoldoende onderzoek had gedaan naar deze verklaring. Het hof overwoog dat voor een veroordeling niet vereist is dat het geld aan een specifiek misdrijf kan worden gekoppeld, maar wel dat het afkomstig is uit enig misdrijf.
De verdachte gaf wisselende verklaringen over de herkomst en het gebruik van het geld, waarbij zijn stellingen niet verenigbaar waren met het feit dat 44% van de biljetten na de dood van de betrokkene nog in omloop was. Het hof achtte de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig en vond dat het Openbaar Ministerie voldoende onderzoek had gedaan. Daarom werd geconcludeerd dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is en werd het tenlastegelegde bewezen verklaard.