Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9384429 / CV EXPL 21-3230)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties A tot en met E;
- de Rol-/Archiefkaart, waaruit blijkt dat de advocaat van [geïntimeerde] zich op 7 februari 2023 aan de zaak heeft onttrokken na zijn cliënt te hebben gewezen op de gevolgen, en waaruit blijkt dat zich vervolgens namens [geïntimeerde] geen nieuwe advocaat heeft gesteld.
3.De beoordeling
- a. [geïntimeerde] is geboren op [geboortedatum] 1926, en ten tijde van het wijzen van dit arrest dus 97 jaar oud.
- b. [geïntimeerde] is de moeder van [persoon A] (hierna: [persoon A] ).
- c. [persoon A] is directeur en grootaandeelhouder van DMH.
- d. DMH heeft in de periode vanaf 2 februari 2016 een aantal uitgaven gedaan ten behoeve van [geïntimeerde] . DMH heeft de uitgaven die zij voor [geïntimeerde] meent te hebben gedaan, gespecificeerd in het als productie 1 bij de inleidende dagvaarding overgelegde overzicht.
- e. Op 15 februari 2016 hebben DMH, vertegenwoordigd door [persoon A] , als “leninggever”, en [geïntimeerde] als “leningnemer”, een “leningsovereenkomst” gesloten. In deze overeenkomst staat onder meer het volgende:
- op 25-04-2016 € 4.000,-- o.v.v. ‘aflossing/terugbetaling lening verhuizing Leyhoeve’
- op 16-05-2016 € 2.000,-- o.v.v. ‘aflossing lening’
- op 31-05-2016 € 1.500,-- o.v.v. ‘aflossing lening’
- op 24-06-2016 € 1.500,-- o.v.v. ‘aflossing lening’
- op 03-08-2016 € 2.000,-- o.v.v. ‘aflossing lening’
- op 26-09-2016 € 1.500,-- o.v.v. ‘aflossing lening’
- op 02-04-2018 € 3.000,-- o.v.v. ‘aflossing lening’
- g. [persoon A] heeft vanaf eind 2015 tot enig moment in januari 2021 de financiën van [geïntimeerde] beheerd.
- h. [geïntimeerde] heeft de volmacht van [persoon A] over haar bankrekeningen per 27 januari 2021 ingetrokken.
- i. Bij brief van 29 januari 2021 heeft [persoon B] van [---] Registeraccountants onder meer het volgende meegedeeld aan een van de dochters van [geïntimeerde] :
- j. Op 29 januari 2021 heeft [geïntimeerde] € 5.081,32 overgemaakt aan DMH onder vermelding van ‘restant lening’. DMH heeft dit bedrag op dezelfde dag teruggeboekt onder vermelding van ‘terugstorting wegens onbekende herkomst geld Wwft.’.
- k. Bij brief van 28 april 2021 heeft de toenmalige gemachtigde van DMH [geïntimeerde] gesommeerd om binnen 14 dagen na ontvangst van de brief een hoofdsom van € 5.243,70 te voldoen.
- een hoofdsom van € 4.471,15, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 augustus 2021;
- € 825,13 ter zake over de periode tot en met 3 augustus 2021 over de hoofdsom vervallen rente;
- € 637,19 ter zake buitengerechtelijke incassokosten.
- Bij [persoon A] bestaat animositeit tegenover [geïntimeerde] als gevolg van gebeurtenissen die zich in de familiesfeer hebben voorgedaan. De kantonrechter dient de vorderingen echter uitsluitend op de daaraan ten grondslag gelegde juridische grondslag en het daartegen gevoerde verweer te beoordelen (rov. 3.2).
- [geïntimeerde] heeft het bedrag van € 10.000,--, dat zij volgens de overeenkomst van geldlening van 15 februari 2016 heeft geleend, volledig terugbetaald. Zij heeft immers in de periode van 25 april 2016 tot en met 2 april 2018 aflossingen gedaan tot in totaal € 15.500,--. Ook als rekening wordt gehouden met de door DMH gestelde aanvullende stortingen van vier keer € 500,-- op de bankrekening van [geïntimeerde] , en dus van aanvullende leningen tot in totaal € 2.000,--, geldt dat die als gevolg van de terugbetalingen door [geïntimeerde] geheel zijn vereffend. Ook het bedrag aan verschenen rente moet geacht worden door [geïntimeerde] te zijn voldaan. DMH heeft dus uit hoofde van de overeenkomst van geldlening niets meer van [geïntimeerde] te vorderen (rov. 3.6).
- DMH heeft aan haar vordering voorts ten grondslag gelegd dat zij in opdracht van [geïntimeerde] betalingen aan derden heeft gedaan tot in totaal € 18.971,15. Uit het door DMH overgelegde overzicht volgt echter dat van dat bedrag € 430,12 niet door DMH is voldaan maar “in privé”. Het totaal aan uitgaven dat DMH volgens haar eigen stellingen namens [geïntimeerde] heeft voldaan, bedraagt dus ten hoogste € 18.541,03 (rov. 3.7).
- Er is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven of ermee ingestemd heeft dat de kosten van de viering van haar 90e verjaardag voor haar rekening zouden komen. De ter zake dat feest gestelde uitgave van € 2.956,85 kan DMH dus niet op [geïntimeerde] verhalen (rov. 3.9, eerste deel).
- Het is aannemelijk dat [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven tot aankoop van de lamp waarvoor zij bijdragen op haar bankrekening heeft ontvangen. Daarom staat vast dat het door DMH voor de lamp voorgeschoten bedrag van € 1.199,99 alsnog aan DMH toekomt (rov. 3.9, tweede deel).
- Er is geen sprake van een toezegging aan [geïntimeerde] dat de verhuiskosten voor haar betaald zouden worden. Daarom moet [geïntimeerde] het bedrag van € 1.523,--, dat DMH stelt voor de verhuizing te hebben betaald en dat door [geïntimeerde] niet is betwist, aan DMH vergoeden (rov. 3.9, derde deel).
- Als uitgegaan wordt van het bovenstaande, heeft DMH voor [geïntimeerde] (€ 18.541,03 - € 2.956,85 =) € 15.584,18 voldaan. Omdat [geïntimeerde] daarvan al € 15.500,-- heeft terugbetaald, resteert – uitgaande van het bovenstaande – slechts een hoofdsom van € 34,18 (rov. 3.10).
- Partijen zijn met betrekking tot de rente alleen overeengekomen dat [geïntimeerde] rente verschuldigd zou zijn over het in de overeenkomst van geldlening genoemde bedrag van € 10.000,-- in de periode van 16 februari 2016 tot 16 februari 2021. [geïntimeerde] heeft door middel van haar aflossingen op het geleende bedrag de daarover verschuldigde contractuele rente voldaan. De over de andere bedragen subsidiair gevorderde wettelijke rente is alleen verschuldigd als [geïntimeerde] in verzuim is. Dat is niet eerder dan vanaf de 15e dag na ontvangst van de ingebrekestelling van 28 april 2021. DMH heeft er bij haar rentevordering geen rekening mee gehouden dat het door [geïntimeerde] geleende bedrag van € 10.000,-- al in 2016 geheel was terugbetaald zodat er geen grond meer was om nog langer contractuele rente te berekenen. Omdat DMH met een en ander geen rekening heeft gehouden, is haar rentevordering niet toewijsbaar (rov. 3.11).
- Aan toewijzing van de vordering van DMH staat ook in de weg dat zij in schuldeisersverzuim verkeert omdat zij de betaling van € 5.081,32 die [geïntimeerde] op 29 januari 2021 deed, dezelfde dag heeft teruggestort en doordat DMH vervolgens in antwoord op een e-mail van een dochter van [geïntimeerde] van 10 februari 2021 heeft meegedeeld: ‘Ik zal geen enkele betaling accepteren.” Voor zover op [geïntimeerde] al een terugbetalingsverplichting rust, is zij dus niet in verzuim. DMH kan daarom geen nakoming vorderen (rov. 3.12).
- DMH moet als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld (rov. 3.14).
- volledige toewijzing van de vorderingen van DMH;
- veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen DMH ter uitvoering van het vonnis van 23 februari 2022 aan [geïntimeerde] heeft voldaan;
- dat voor de kosten van het feest door verschillende mensen bijdragen zijn gestort op de bankrekening van [geïntimeerde] ;
- dat het tiengangen amusemenu voor de feestavond door de chef-kok met [geïntimeerde] is doorgesproken;
- dat [persoon A] en [geïntimeerde] over de kosten van het feest hebben gesproken met de Leyhoeve, waar het feest zou worden gegeven.
- dat DMH voor [geïntimeerde] (€ 18.541,03 - € 2.956,85 =) € 15.584,18 heeft voldaan;
- dat [geïntimeerde] daarvan al € 15.500,-- heeft terugbetaald;
- dat dus een in beginsel door [geïntimeerde] verschuldigde hoofdsom van € 34,18 resteert.
- € 244,05 over de periode tot en met 1 januari 2018;
- € 201,07 over de daarop volgende periode tot 1 januari 2021.
- de contractuele rente is gevorderd over de periode tot en met 1 januari 2021 en het schuldeisersverzuim is pas nadien ingetreden;
- [geïntimeerde] heeft de verschuldigde hoofdsom niet in bewaring gesteld.