De economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin de verdachte deels werd vrijgesproken en deels veroordeeld voor diverse overtredingen van milieuwetgeving en dierenwetgeving.
De verdachte stelde hoger beroep in tegen het vonnis, maar diende geen grieven in en verscheen niet op de terechtzitting. Het openbaar ministerie voerde aan dat ondanks de afwezigheid van de verdachte de zaak behandeld moest worden vanwege een algemeen belang, onder meer omdat nieuwe stukken waren toegevoegd die herhaalde overtredingen van de Wet Dieren aantonen.
Het hof oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat de verdachte geen schriftelijke of mondelinge bezwaren heeft ingediend en niet op de hoogte bleek te zijn van de nieuwe stukken en de vordering van het OM. Behandeling in afwezigheid zou de verdachte de mogelijkheid ontnemen zich te verweren.
Het hof benadrukte dat het algemene belang in deze procedure moet wijken voor het recht op hoor en wederhoor en dat het OM andere strafvorderlijke middelen heeft om het belang te behartigen. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.