Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt was vastgesteld op €160.140,66. De advocaat-generaal vorderde een vermindering van het voordeel naar €110.000,-, terwijl de verdediging stelde dat het voordeel slechts €1.600,- bedroeg.
Na onderzoek en beoordeling van de bewijsmiddelen, waaronder verklaringen, facturen en een rapport van het Functioneel Parket, oordeelde het hof dat het voordeel op €52.536,- moet worden vastgesteld. Het hof verwierp de stelling van de verdediging dat slechts één oogst was mislukt en dat het voordeel veel lager zou zijn. Het hof nam één oogst als uitgangspunt, berekende opbrengsten en kosten van twee kweekruimten en verrekende elektriciteitskosten.
Het hof stelde vast dat de hennepteelt niet op 1 januari 2018 was gestart, zoals de rechtbank aannam, maar dat dit niet met zekerheid kon worden vastgesteld. De redelijke termijn voor de ontnemingszaak werd deels overschreden, maar dit werd reeds in de strafoplegging verdisconteerd.
Het hof legde de betrokkene een betalingsverplichting op van €52.536,- aan de Staat en bepaalde de maximale duur van de gijzeling op 1050 dagen, conform de wettelijke voorschriften. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het arrest werd gewezen door drie raadsheren, waarvan twee niet konden medeondertekenen.