De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van handel in cocaïne, amfetamine en hennep tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, en een taakstraf van 120 uur. In hoger beroep werd de strafveroordeling bevestigd, maar de straf aangepast tot 270 dagen gevangenisstraf, waarvan 211 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 180 uur, vanwege schending van de redelijke termijn.
De verdediging voerde aan dat het bewijs onrechtmatig was verkregen door het ontbreken van een machtiging voor het aftappen van de telefoon van de verdachte, wat een onherstelbaar vormverzuim zou zijn. Het hof constateerde het vormverzuim, maar oordeelde dat dit geen nadelige gevolgen had voor de verdachte omdat de tapgegevens uit februari 2018 geoorloofd waren gebruikt en er geen nadeel was vastgesteld.
Het hof motiveerde de strafoplegging aan de hand van de ernst van de feiten, de aansturende rol van de verdachte, en de maatschappelijke impact van handel in hard- en softdrugs. De strafvermindering werd toegepast vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in de hoger beroepsfase, waardoor de verdachte niet terug in detentie hoeft.
De uitspraak bevestigt verder de taakstraf van 180 uur met een subsidiaire hechtenis van 90 dagen en vernietigt het vonnis voor zover het de strafoplegging betreft om opnieuw recht te doen. De overige onderdelen van het vonnis blijven ongewijzigd.