In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen een vonnis van de rechtbank Limburg waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel uit handel in verdovende middelen was vastgesteld op €50.494,50. De veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen. Het hof heeft het vonnis vernietigd omdat het zich niet kon verenigen met de vastgestelde hoogte van het voordeel.
Het hof baseerde zijn oordeel op bewijsmiddelen waaronder tapgesprekken, getuigenverklaringen en een rapport over de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het onderzoek bleek dat de veroordeelde in de periode van 24 mei 2016 tot en met 15 mei 2018 actief was in de handel in cocaïne, amfetamine en hennep, met een gemiddelde omzet en winstmarge die resulteerden in een totaal geschat voordeel van €52.600,86.
Van dit bedrag werden de koerierskosten in mindering gebracht, wat resulteerde in een definitief vastgesteld wederrechtelijk verkregen voordeel van €49.770,36. Het hof legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. Tevens werd de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 995 dagen. De redelijke termijn was overschreden, maar dit werd reeds in de strafzaak meegewogen.