Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2023:231

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 januari 2023
Publicatiedatum
26 januari 2023
Zaaknummer
200.317.986_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een hoger beroep van de moeder en de heer tegen de ondertoezichtstelling van hun minderjarige kind door de gecertificeerde instelling (GI). De rechtbank Limburg had de ondertoezichtstelling van 30 augustus 2022 tot 30 augustus 2023 bevolen vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind.

De ouders verzetten zich tegen de maatregel en stellen dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Zij benadrukken dat het kind zich goed ontwikkelt en dat zij openstaan voor hulpverlening, die zij reeds zelf hebben gezocht. De raad en de GI stellen echter dat de complexe situatie rondom de biologische vader en de statusvoorlichting het kind ernstig bedreigt en dat vrijwillige hulpverlening niet voldoende is.

Het hof overweegt dat de situatie rondom de minderjarige complex is door onduidelijkheid over zijn biologische vader en beschuldigingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag tegen de biologische vader. De ouders zijn ambivalent over de statusvoorlichting en het kind heeft onvoldoende professionele ondersteuning gekregen. Het hof concludeert dat aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling is voldaan en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling van de minderjarige wegens ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 26 januari 2023
Zaaknummer : 200.317.986/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/308240 / JE RK 22-1448
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de man] ,
hierna te noemen: de heer [de man] ,
beiden wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekers in hoger beroep,
advocaat: mr. N. Geradts,
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Limburg, locatie [locatie] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de heer [betrokkene] ,
voor wie als advocaat optreedt mr. M. Verschoor;
en
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 31 augustus 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift van 24 oktober 2022, met producties, ingekomen bij het hof op
26 oktober 2022, hebben de moeder en de heer [de man] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat het verzoek van de raad wordt afgewezen.
2.2.
Bij verweerschrift van 18 november 2022, met producties, ingekomen bij het hof op
21 november 2022, heeft de raad verzocht het verzoek van de moeder en de heer [de man] in hoger beroep af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
2.3.
Het hof heeft verder ontvangen:
- het V6-formulier van 1 december 2022, van de advocaat van de moeder en de heer [de man] , met bijlage, ingekomen bij het hof op 2 december 2022.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 december 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de heer [de man] , bijgestaan door mr. K.C.M. Stultiens (waarnemend advocaat);
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .
2.4.1.
De moeder en de heer [betrokkene] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

3.De beoordeling

3.1.
De moeder en de heer [betrokkene] zijn de biologische ouders van:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] .
3.2.
De heer [de man] heeft [minderjarige] erkend. De moeder en de heer [de man] oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 31 augustus 2022 heeft de rechtbank [minderjarige] met ingang van 30 augustus 2022 tot 30 augustus 2023 onder toezicht gesteld van de GI.
3.4.
De moeder en de heer [de man] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De moeder en de heer [de man] voeren - samengevat – het volgende aan. De moeder en de heer [de man] verzetten zich tegen de ondertoezichtstelling van [minderjarige] omdat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. [minderjarige] ontwikkelt zich goed en de moeder en de heer [de man] staan open voor hulpverlening en hebben die ook al zelf gezocht, bijvoorbeeld voor de statusvoorlichting van [minderjarige] . De moeder staat op de wachtlijst voor therapie om haar eigen verleden te verwerken. Daarna kan de traumatherapie van [minderjarige] starten. De moeder en de heer [de man] zien daarom niet in waarom, voor zover het hof mocht menen dat er wel sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, de hulpverlening niet in het vrijwillig kader zou kunnen plaatsvinden. De ondertoezichtstelling werkt averechts en geeft veel stress in het gezin.
3.6.
De raad voert - samengevat - het volgende aan. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is nodig, omdat de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig wordt bedreigd. Er blijven zorgen over hoe [minderjarige] op een niet te zwaar beladen manier kan gaan leven met de gedachte dat de heer [betrokkene] zijn biologische vader is en niet de heer [de man] . Het is voor de raad de vraag hoe de moeder en de heer [de man] [minderjarige] hierin kunnen steunen, gelet op de situatie die speelt tussen de moeder en de heer [betrokkene] . Dit maakt de statusvoorlichting van [minderjarige] ingewikkeld. Er is hulpverlening nodig om dit op een goede manier aan te pakken. De raad ziet dat dit niet lukt in het vrijwillig kader. Daar komt bij dat de houding van de moeder en de heer [de man] wat de raad betreft te ambivalent is geweest waardoor de raad er, op dit moment, niet van overtuigd is dat zij op de juiste manier de hulpverlening zullen inzetten. De raad betreurt het dat de moeder en de heer [de man] de ondertoezichtstelling als negatief ervaren, omdat deze niet zo is bedoeld. De ondertoezichtstelling is wat de raad betreft bedoeld om de moeder en de heer [de man] te leren hoe om te gaan met deze ingewikkelde situatie.
3.7.
De GI voert – samengevat – het volgende aan. De GI ziet dat de moeder en de heer [de man] op dit moment overvraagd worden. De moeder is ernstig ziek en er is hulpverlening ingezet voor het huishouden. Ook heeft de GI Pactum benaderd om te helpen bij de statusvoorlichting van [minderjarige] . De GI heeft zorgen of de moeder en de heer [de man] [minderjarige] voldoende objectief kunnen ondersteunen bij de statusvoorlichting.
3.8.
Het hof overweegt het volgende.
3.8.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
3.8.2.
Het hof is evenals de rechtbank, en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en waardering overneemt, van oordeel dat er voldaan is aan de vereisten van artikel 1:255 BW Pro. Het hof zal dat hierna uitleggen.
3.8.3.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd omdat [minderjarige] opgroeit in een complexe opvoedsituatie waarin tot op heden onvoldoende aandacht is geweest voor de statusvoorlichting van [minderjarige] . [minderjarige] heeft namelijk lange tijd gedacht dat de partner van de moeder, de heer [de man] , zijn biologische vader is. De biologische vader van [minderjarige] is echter de heer [betrokkene] , de man die hij tot voor kort als zijn opa beschouwde. De heer [betrokkene] is gedurende de minderjarigheid van de moeder haar pleegvader geweest. De situatie is complexer geworden omdat zowel [minderjarige] als de moeder de heer [betrokkene] hebben beschuldigd van seksueel grensoverschrijdend gedrag. De (straf)zaak die ziet op de aangifte namens [minderjarige] tegen de heer [betrokkene] , is geseponeerd. De heer [betrokkene] is echter wel gedagvaard naar aanleiding van de aangifte die de moeder tegen hem heeft gedaan. Er is op dit moment nog geen duidelijkheid over het verdere verloop van deze strafrechtelijke procedure. Daarnaast loopt er op dit moment nog een procedure bij de rechtbank die ziet op vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door de heer [de man] , de mogelijkheid van erkenning van [minderjarige] door de heer [betrokkene] en het vaststellen van een omgangsregeling tussen de heer [betrokkene] en [minderjarige] . Dit alles maakt de situatie rondom [minderjarige] erg onrustig.
3.8.4.
Voor het hof is onvoldoende inzichtelijk of [minderjarige] op een bij zijn leeftijd passende manier is ingelicht over wie zijn biologische vader is en wat dit met [minderjarige] doet. De houding van de moeder en de heer [de man] over het inlichten van [minderjarige] over zijn afkomst, is ambivalent geweest. Hoewel de moeder en de heer [de man] eerder – zo blijkt uit hun reactie op het concept-raadsrapport van 4 augustus 2022 – niet voornemens waren [minderjarige] in te lichten over wie zijn biologische vader is, hebben zij in hun verweerschrift van 19 augustus 2022 beschreven dat [minderjarige] inmiddels wel ervan op de hoogte zou zijn dat de heer [betrokkene] zijn biologische vader is. De heer [betrokkene] zou dit bovendien zelf aan [minderjarige] hebben verteld. Op welke manier [minderjarige] is ingelicht en of hierbij hulpverlening betrokken is (geweest), is voor het hof echter onvoldoende duidelijk geworden. Daarnaast is de enkele voorlichting over zijn afkomst onvoldoende voor [minderjarige] . Het gaat bij de statusvoorlichting immers ook om het kunnen ondersteunen van [minderjarige] bij deze grote verandering in zijn leven mede gelet op de aangiften die er tegen de heer [betrokkene] zijn gedaan, nota bene mede namens [minderjarige] zelf. [minderjarige] moet dit een plek kunnen geven en de ruimte krijgen om zijn eigen identiteit te ontdekken. Daarvoor is ook professionele hulpverlening nodig. Het hof is met de raad van oordeel dat het de ouders niet lukt om dat zelf, in het vrijwillig kader, in goede banen te leiden. Bovendien is dit een zeer precair en zorgvuldig proces waar niet lichtvaardig mee mag worden omgegaan, te meer omdat [minderjarige] op dit moment een negatief beeld heeft van de heer [betrokkene] (wat mogelijk versterkt wordt door de eigen beleving van de moeder). De raad en de GI hebben aangegeven naast de moeder en de heer [de man] te willen staan om hen te begeleiden, zeker ook gelet op de ervaringen van de moeder die zij in het verleden stelt te hebben gehad met de heer [betrokkene] . Daarbij zal uiteraard ook van belang zijn wat de uitkomst is van de strafrechtelijke procedure tegen de heer [betrokkene] .
3.8.5.
Het hof passeert het bewijsaanbod van de moeder en de heer [de man] omdat het niet voldoende specifiek is.
3.8.6.
Omdat het hof verwacht dat de moeder en de heer [de man] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding zelf te dragen is, alles overziende, voldaan aan de voorwaarden voor de ondertoezichtstelling.
3.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd en dat het verzoek van de moeder en de heer [de man] in hoger beroep wordt afgewezen.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van
31 augustus 2022;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J.F. Manders, E.M.C. Dumoulin en
P.M.M. Mostermans en is op 26 januari 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.