Deze zaak betreft een hoger beroep over de vaststelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige en een verzoek tot contactregeling. De man verzocht het hof zijn bijdrage in de kinderalimentatie vast te stellen op €489 per maand en een omgangsregeling te bepalen. De vrouw verzocht bevestiging van de eerdere beschikking en stelde een eerdere ingangsdatum van de alimentatie voor.
Het hof verklaarde het verzoek van de man tot contactregeling niet-ontvankelijk omdat hij dit tijdens de mondelinge behandeling had ingetrokken. Ten aanzien van de kinderalimentatie stelde het hof vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat Nederlands recht van toepassing is. De ingangsdatum werd vastgesteld op 1 september 2022, eerder dan de rechtbank had bepaald, omdat de man geen opvangkosten had voldaan in september.
De behoefte van de minderjarige werd vastgesteld op €617,50 per maand. De draagkracht van de man werd berekend op €1.722 per maand, rekening houdend met een aangepaste bonus. De man heeft ook onderhoudsplicht voor een ander kind uit een eerdere relatie, waarvoor een bijdrage van €308 per maand werd vastgesteld. Na toepassing van een zorgkorting van 5% werd de bijdrage van de man aan de vrouw vastgesteld op €543 per maand in 2022, met een verhoging naar €561 per maand vanaf 1 januari 2023.
Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en stelde de alimentatiebedragen vast. Tevens werd bepaald dat eventuele teveel betaalde alimentatie niet hoeft te worden terugbetaald. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, zodat elke partij haar eigen kosten draagt.