In deze civiele zaak in hoger beroep staat centraal of appellant de opdrachtgever was van de door geïntimeerde geleverde glasruiten en uitgevoerde beglazingswerkzaamheden voor panden te een plaats. De kantonrechter had in eerste aanleg geoordeeld dat geïntimeerde in het bewijs was geslaagd en de vorderingen toewijst.
Appellant betwist dit en richt zijn grieven tegen de bewijswaardering en geloofwaardigheid van zijn verklaring. Hij stelt dat derden de opdracht hebben gegeven en biedt aan om tegenbewijs te leveren door het horen van getuigen, waaronder zichzelf en betrokken derden.
Het hof oordeelt dat het in het belang van de waarheidsvinding is om alle getuigenverklaringen en bewijsmateriaal in onderlinge samenhang te waarderen. Daarom wordt appellant toegelaten tot het leveren van tegenbewijs door het horen van de door hem aangedragen getuigen.
De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor het vaststellen van de datum van het getuigenverhoor. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Dit arrest bevestigt de procedurele mogelijkheid tot aanvullend bewijs in hoger beroep bij geschillen over bewijswaardering.