In hoger beroep heeft het gerechtshof het vonnis van de rechtbank Limburg van 14 juni 2022 bevestigd, waarbij verdachte werd veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging vanwege mishandeling en poging tot zware mishandeling.
De rechtbank sprak verdachte vrij van bedreiging en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor de materiële schadevordering, kende immateriële schade toe van €750. In hoger beroep werd de vrijspraak van bedreiging gehandhaafd en het hof wees de materiële schadevordering af, maar kende de immateriële schadevordering volledig toe, met wettelijke rente.
Het hof oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor poging tot doodslag, maar wel voorwaardelijk opzet op zware mishandeling. Het bewijs bestond uit verklaringen van het slachtoffer en getuigen, en een letselrapportage die aantoonden dat de keel van het slachtoffer met voldoende kracht en duur werd dichtgeknepen om zuurstofvoorziening tijdelijk te stoppen, wat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel inhield.
De verdediging had vrijspraak en strafmatiging bepleit, evenals het niet opleggen van terbeschikkingstelling, maar deze verzoeken werden afgewezen. Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak van bedreiging en bevestigde verder het vonnis met aanvullingen op de motivering over voorwaardelijk opzet.