Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar dochter, een minderjarige met complexe problematiek. De moeder betwist de uithuisplaatsing en stelt dat minder ingrijpende maatregelen onvoldoende zijn onderzocht en dat de uithuisplaatsing het leven van de minderjarige ontwricht. Zij vraagt om hulp in de thuissituatie en wijst op de culturele en taalbarrières.
De gecertificeerde instelling (GI) voert aan dat de minderjarige ernstig kwetsbaar is, met gehoorproblemen en een ontwikkelingsniveau van een jonger kind. De moeder kan niet adequaat reageren op haar behoeften en praktische zaken niet regelen. Hulpverlening is ingezet, waaronder begeleide bezoeken.
Het hof overweegt dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De problematiek is complex, en de doelen voor terugkeer zijn nog niet bereikt. De GI zet hulpverlening voort, met aandacht voor culturele aspecten. De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad en haar verzoeken worden afgewezen.
Het hof bekrachtigt daarmee de beschikking van de rechtbank Limburg van 19 april 2023, verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing tot 14 augustus 2023 en wijst het beroep van de moeder af.