Appellant is sinds 2019 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, die in 2021 werd verlengd tot januari 2024. De rechtbank beëindigde de regeling tussentijds op verzoek van de bewindvoerder vanwege onvoldoende nakoming van verplichtingen door appellant, waaronder het niet voldoen aan de informatieplicht en het niet verrichten van opgelegde werkzaamheden.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij mantelzorg verricht voor zijn stiefvader, psychische klachten had en dat de nieuwe schulden niet verwijtbaar waren. Hij stelde dat hij wel meewerkte aan zijn herstel en dat de gebitsrenovatie zijn psychische gesteldheid verbeterde. De bewindvoerder en beschermingsbewindvoerder betwistten dit en wezen op onvoldoende medewerking en het niet nakomen van afspraken.
Het hof oordeelt dat appellant zijn kernverplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren is nagekomen, ondanks herhaalde waarschuwingen en kansen. Het niet nakomen van de opgelegde werkzaamheden en het onvoldoende informeren van de bewindvoerder zijn zwaarwegend. Ook acht het hof de stelling dat appellant volledig arbeidsongeschikt zal worden verklaard niet aannemelijk.
Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling terecht is en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.