De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het zich gedragen in strijd met artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, door zijn dieren gedurende meerdere dagen in 2018 onvoldoende zorg te bieden. De politierechter legde een gevangenisstraf van 3 weken op, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en stelde bijzondere voorwaarden waaronder een houdverbod voor dieren.
In hoger beroep vernietigde het hof de kwalificatie en straf van de politierechter en veroordeelde de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 10 jaar. Het hof legde een houdverbod op voor alle dieren behalve de negen honden die de verdachte momenteel bezit, met aanvullende voorwaarden zoals het voorkomen van nakomelingen en medewerking aan controles.
Het hof nam mee dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat het dierenwelzijn over een lange periode in het gedrang was. Ondanks recente controles waarbij geen overtredingen werden geconstateerd, achtte het hof een lange proeftijd en strenge voorwaarden noodzakelijk om herhaling te voorkomen.
De redelijke termijn in hoger beroep werd overschreden met bijna twee jaar, deels toe te rekenen aan de verdachte en deels aan het hof. Gezien de voorwaardelijke straf zag het hof af van strafvermindering. Het arrest werd op 24 juli 2023 uitgesproken door het hof 's-Hertogenbosch.