3.2.In rov. 3.1. e.v. van het vonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grief 1 wordt deze vaststelling bestreden, in de zin dat volgens de Lithse Ham de rechtbank de feiten onvolledig heeft weergegeven. Voor zover er naar het oordeel van het hof meer of andere feiten relevant zijn, komen die hierna in rov. 3.7 e.v. aan de orde (waar grief 1 gezamenlijk met grief 2 en een deel van grief 4 zal worden behandeld). Voorts is de feitenvaststelling in de tegenwoordige tijd gesteld, maar is de recreatiewoning inmiddels door [persoon A] geleverd aan [geïntimeerde] . Rekening houdend met het voorgaande kan voor de beoordeling van dit geschil in hoger beroep – met verbetering van enkele verschrijvingen – uitgegaan worden van dezelfde feiten als de rechtbank. Het hof zal die feiten hierna weergeven.
3.2.1.[persoon A] is eigenaar van een recreatiechalet met tuinhuisje, ondergrond en tuin, gelegen op het chaletpark ‘De Lithse Ham’ in [plaatsnaam] , plaatselijk bekend als [kavelnummer] (hierna: de recreatiewoning). [geïntimeerde] is eigenaar van de naastgelegen recreatiewoning.
3.2.2.In de leveringsakte waarbij [persoon A] en haar wijlen echtgenoot op 13 maart 2001 de recreatiewoning geleverd hebben gekregen, is als kettingbeding een voorkeursrecht van koop aan Maaspark De Lithse Ham B.V. vermeld. Bij notariële akte van 4 februari 2005 (productie 20 bij dagvaarding, eerste aanleg) heeft Maaspark De Lithse Ham B.V. het voorkeursrecht aan De Lithse Ham overgedragen.
3.2.3.[persoon A] wil de recreatiewoning verkopen.
3.2.4.[geïntimeerde] heeft interesse in de koop van de recreatiewoning. Op of omstreeks 18 november 2020 heeft [persoon A] aan [geïntimeerde] kenbaar gemaakt dat hij de recreatiewoning mag kopen voor een bedrag van € 62.500,00. [geïntimeerde] en [persoon A] hebben vervolgens op 22 november 2020 een schriftelijke koopovereenkomst met elkaar gesloten tot verkoop van de recreatiewoning van [persoon A] aan [geïntimeerde] met als leveringsdatum 31 december 2020.
3.2.5.Na het ondertekenen van de koopovereenkomst heeft een medewerker van het door [geïntimeerde] benaderde notariskantoor [persoon A] erop gewezen dat er een voorkeursrecht tot koop is van De Lithse Ham.
3.2.6.Bij brief van 7 december 2020 heeft [persoon A] bij De Lithse Ham geïnformeerd of zij gebruik wil maken van haar voorkeursrecht. Bij brief van 16 december 2020 heeft De Lithse Ham aan [persoon A] laten weten dat zij gebruik wil maken van haar voorkeursrecht en akkoord gaat met de aankoop van de recreatiewoning voor een bedrag van € 62.500,00.
3.2.7.[geïntimeerde] heeft op 18 december 2020 de koopovereenkomst laten inschrijven in het Kadaster.
3.2.8.Bij brief van 21 december 2020 heeft [persoon A] aan [geïntimeerde] laten weten dat zij een streep door de overeenkomst met [geïntimeerde] zet. De gemachtigde van [persoon A] heeft bij brief van 4 maart 2021, voor het geval de koopovereenkomst niet door de brief van 21 december 2020 is vernietigd, de koopovereenkomst met [geïntimeerde] namens [persoon A] vernietigd.
3.2.9.In opdracht van [geïntimeerde] is op 17 maart 2021 conservatoir leveringsbeslag gelegd op de recreatiewoning.
De procedure bij de rechtbank
3.3.1.[geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg in conventie – na vermeerdering van eis – veroordeling van:
i. [persoon A] tot (medewerking aan) de levering van de recreatiewoning aan [geïntimeerde] , onder verrekening van de koopsom met het schadebedrag van € 3.750,00, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
ii. De Lithse Ham om de rechten van [geïntimeerde] , waaronder het recht op levering van de recreatiewoning, te respecteren (c.q. te gehengen en gedogen), op straffe van verbeurte van een dwangsom;
iii. [persoon A] en De Lithse Ham in de buitengerechtelijke kosten van € 1.400,00;
iv. [persoon A] en De Lithse Ham hoofdelijk in de beslagkosten van € 1.236,11,
een en ander onder hoofdelijk veroordeling van [persoon A] en De Lithse Ham in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3.2.Aan de vordering in conventie heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat hij recht heeft op levering van de recreatiewoning op grond van de tussen hem en [persoon A] gesloten koopovereenkomst.
3.3.3.De Lithse Ham en [persoon A] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. De Lithse Ham en [persoon A] hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen en daarnaast hebben zij een eis in reconventie ingesteld. In reconventie vorderde De Lithse Ham:
i. voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] ten opzichte van De Lithse Ham onrechtmatig heeft gehandeld;
ii. veroordeling van [geïntimeerde] om binnen twee weken na betekening van het vonnis aan De Lithse Ham bij wijze van voorschot te voldoen een bedrag van € 4.102,64 ter vergoeding van de schade die De Lithse Ham heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] jegens haar;
iii. veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van alle schade die De Lithse Ham heeft geleden, lijdt en nog zal lijden ten gevolge van bovengenoemd onrechtmatig handelen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
iv. veroordeling van [geïntimeerde] tot opheffen van het door hem gelegde beslag, onder verbeurte van een dwangsom;
een en ander onder veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten en de nakosten.
3.3.4.De Lithse Ham heeft aan haar vordering in reconventie ten grondslag gelegd – samengevat – dat er een voorkeursrecht op de recreatiewoning rustte ten gunste van haar en dat haar belangen zwaarder dienen te wegen dan de belangen van [geïntimeerde] .
3.3.5.[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de eisen in reconventie en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen in reconventie. Dit verweer, voor zover in hoger beroep van belang, zal in het navolgende aan de orde komen.
3.3.6.In het tussenvonnis van 28 juli 2021 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling bepaald. Deze heeft op 14 maart 2022 plaats gevonden.
3.3.7.In het eindvonnis van 18 mei 2022 heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie jegens [persoon A] toegewezen en de vorderingen in conventie van [geïntimeerde] jegens De Lithse Ham afgewezen. Daarnaast zijn de vorderingen van [persoon A] en De Lithse Ham in reconventie afgewezen met veroordeling van [persoon A] en De Lithse Ham in de proceskosten in reconventie.
De procedure in hoger beroep