Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 10209401 \ CV EXPL 22-5279)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties 18 tot en met 20;
- de memorie van antwoord met productie 2.
3.De beoordeling
- a. BrabantWonen is een toegelaten instelling zoals bedoeld in de Woningwet.
- b. BrabantWonen heeft de woning aan de [adres] in [plaats] met ingang van 9 november 2020 verhuurd aan [de onderbewindgestelde] .
- c. In de huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
- e. Bij beschikking van 25 mei 2022 heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, een bewind ingesteld over de goederen van [de onderbewindgestelde] . [het advocatenkantoor] is bij die beschikking tot bewindvoerder benoemd.
- f. BrabantWonen heeft op 3 juni 2022 een woonfraudeonderzoek gestart, vanwege het vermoeden dat [de onderbewindgestelde] het gehuurde zonder toestemming of medeweten van BrabantWonen onderverhuurde aan arbeidsmigranten.
- g. Bij brief van 19 augustus 2022, verstuurd naar het adres van [de onderbewindgestelde] en naar het adres van [het advocatenkantoor] , heeft BrabantWonen [de onderbewindgestelde] uitgenodigd voor een gesprek op 6 september 2022.
- h. Op 6 september 2022 heeft BrabantWonen een gesprek gevoerd met [de onderbewindgestelde] en zijn begeleidster.
- i. Bij brief van 6 september 2022 heeft BrabantWonen aan [het advocatenkantoor] onder meer meegedeeld dat uit onderzoek naar de woonsituatie van [de onderbewindgestelde] is gebleken dat hij zijn hoofdverblijf niet in de woning heeft maar op een ander adres in [plaats] , en dat hij personen laat verblijven / inwonen in de woning. In de brief heeft BrabantWonen aangezegd dat de huurovereenkomst van rechtswege eindigt op 9 november 2022.
- j. In september en oktober 2022 is vervolgens enige correspondentie gewisseld tussen de advocaat van [geïntimeerden] , en de advocaat van BrabantWonen.
- k. Bij e-mail van 2 november 2022 heeft de advocaat van [geïntimeerden] aan BrabantWonen onder meer meegedeeld dat [de onderbewindgestelde] het gehuurde niet zal verlaten op de door BrabantWonen aangegeven datum.
- l. [de onderbewindgestelde] heeft het gehuurde op 9 november 2022 niet ontruimd en opgeleverd aan BrabantWonen.
- A. tot ontruiming van de woning;
- B. tot betaling aan BrabantWonen van de kosten van de ontruiming conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming, indien niet vrijwillig aan de veroordeling tot ontruiming wordt voldaan en BrabantWonen de ontruiming zelf bewerkstelligt met inschakeling van een deurwaarder;
- BrabantWonen heeft, uitgaande van haar stellingen, een spoedeisend belang bij beoordeling van haar vordering in kort geding (rov. 4.1).
- BrabantWonen heeft met [de onderbewindgestelde] een tijdelijke huurovereenkomst voor de duur van twee jaar gesloten zoals bedoeld in artikel 7:271 lid 1 BW Pro. Het verweer van [het advocatenkantoor] dat BrabantWonen met [de onderbewindgestelde] geen tijdelijke huurovereenkomst had mogen sluiten, moet worden verworpen (rov. 4.3 tot en met 4.5).
- Een voor de duur van twee jaar aangegane huurovereenkomst eindigt volgens artikel 7:271 lid 1 BW Pro wanneer de huurtijd is verstreken, mits de verhuurder niet eerder dan drie maanden maar uiterlijk een maand voordat die bepaalde tijd is verstreken, de huurder over de dag waarop die huur verstrijkt schriftelijk informeert. BrabantWonen heeft met haar brief van 6 september 2022 aan die voorwaarde voldaan. Voorshands moet daarom worden aangenomen dat de huurovereenkomst per 9 november 2022 is geëindigd (rov. 4.6).
- Tijdens de mondelinge behandeling heeft BrabantWonen verklaard dat zij de tijdelijke huurovereenkomst aan het eind van de huurtermijn niet heeft ‘omgeklapt’ naar een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, omdat [de onderbewindgestelde] derden in het gehuurde heeft laten wonen en hij zelf bij zijn ex-partner zou wonen (rov. 4.7).
- [de onderbewindgestelde] heeft ter zitting betwist dat er derden in het gehuurde wonen en dat hij zelf bij zijn ex-partner woont (rov. 4.8).
- BrabantWonen heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door [het advocatenkantoor] , onvoldoende onderbouwd dat [de onderbewindgestelde] in strijd met zijn verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst c.q. de gedragsaanwijzingen heeft gehandeld. Dat [de onderbewindgestelde] niet in het gehuurde woont, maar bij zijn ex-partner, blijkt niet uit de overgelegde stukken. Andere concrete aanwijzingen dat [de onderbewindgestelde] de regels niet is nagekomen, heeft BrabantWonen niet verschaft. In dit kort geding staat daarom niet vast dat [de onderbewindgestelde] zich niet aan de regels heeft gehouden (rov. 4.9).
- Vast staat dat aan [de onderbewindgestelde] een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd zou zijn aangeboden als hij zich aan de regels zou hebben gehouden. Er staat niet vast dat [de onderbewindgestelde] zich niet aan de regels heeft gehouden. Daar komt bij dat de zoon van [de onderbewindgestelde] , die ook in het gehuurde woont, gehandicapt althans hulpbehoevend is en het, in het geval van een ontruiming op korte termijn, niet duidelijk is waar en hoe hij op een adequate wijze kan worden opgevangen. De vorderingen worden daarom afgewezen (rov. 4.10).
- dat de woning tijdelijk aan [de onderbewindgestelde] was verhuurd omdat hij op dat moment in een noodsituatie verkeerde en daardoor tijdelijk woonruimte nodig had;
- dat de woning te typeren valt als een seniorenwoning en dat [de onderbewindgestelde] buiten de doelgroep van dergelijke woningen valt.
- Kantonrechter:
“Als ik het goed begrijp, is de overeenkomst niet verlengd omdat [de onderbewindgestelde] andere mensen in zijn woning zou laten wonen en daar zelf niet zou wonen. Klopt dat?” - Advocaat van BrabantWonen:
“ja” - Kantonrechter: “Als dat niet het geval was, zou dan een contract voor onbepaalde tijd zijn aangeboden?”
- Woonconsulent:
“dat gaan we dan bekijken; als er geen meldingen zijn, gaan we de overeenkomst omklappen.” - Kantonrechter: “
Het gaat er dus hoe dan ook om dat er andere mensen in de woning zouden wonen en hij er zelf niet zou wonen.” - Woonconsulent:
“ja” - Kantonrechter:
“Dus daarop is de keuze om niet om te klappen naar een overeenkomst voor onbepaalde tijd gebaseerd.” - Woonconsulent:
“ja”
- Op 3 juni 2022 hebben woonconsulenten van BrabantWonen een gesprek gevoerd met [persoon A] , bewoner van een woning aan [straatnaam] te [plaats] . Volgens het daarvan overgelegde gespreksverslag zou [persoon A] hebben verklaard dat er onderhuurders zitten op de [adres] in [plaats] , dat de huurder op de bank moet slapen en dat hij twee kamers verhuurt, dat de huurder gehandicapt is en dat dit heel ernstig is, en dat er misbruik van deze man wordt gemaakt.
- Op 3 juni 2022 hebben woonconsulenten van BrabantWonen een gesprek gevoerd met een niet nader aangeduide bewoner van de straat [straatnaam] in [plaats] . Volgens het daarvan overgelegde gespreksverslag zou deze bewoner hebben verklaard dat de buurman van nummer [adres] net weg is, dat hij (de buurman) daar met zijn zoon woont, dat hij geen Nederlands spreekt en verstaat, dat zijn zoon vaak wordt opgehaald om naar de dagbesteding te gaan, dat er nog veel andere mensen in de woning zitten, dat er vooral ’s avonds heel veel beweging is, dat ze dan allerlei pakketjes afgooien, en dat ook de ex-vrouw van de zoon daar zou verblijven.
- Op 3 juni 2022 hebben woonconsulenten van BrabantWonen aangebeld bij het gehuurde. Volgens het daarvan overgelegde verslag deed er toen een man open die aangaf dat hij geen Nederlands, Engels of Duits kon praten, die op de vraag waar [de onderbewindgestelde] was aangaf dat die ‘gone’ was, die op de vraag of hij inwoonde in de woning aangaf ‘no’, die aangaf dat hij familie was en die zei ‘isn’t home’.
- Tijdens de mondelinge behandeling heeft een van de woonconsultenten gezegd dat ook de opzichter van BrabantWonen een melding heeft gedaan over veel bewoners.
- De betreffende woonconsulent heeft voorts met twee hulpverleners gebeld. De eerste hulpverlener heeft onder meer gezegd dat de familie [de onderbewindgestelde] oplichters zijn, en de tweede hulpverlener heeft onder meer gezegd dat zij het vermoeden van woonfraude deelt.
- Er is ook sprake geweest van een vermoeden dat bij [de onderbewindgestelde] een hennepkwekerij aanwezig zou zijn. Van een hennepkwekerij was echter geen sprake. Dit brengt mee dat in elk geval in zoverre sprake is geweest van onjuiste vermoedens.
- [persoon A] lijkt in zijn verklaring [de onderbewindgestelde] en diens zoon door elkaar te halen. [persoon A] woont bovendien op ruime afstand van het gehuurde. BrabantWonen heeft niet toegelicht waar [persoon A] zijn beschuldigingen jegens [de onderbewindgestelde] op baseert.
- Uit de verklaring van de straatbewoner (buur van [de onderbewindgestelde] ) is niet af te leiden dat [de onderbewindgestelde] niet in het gehuurde woont.
- De verklaring van de man die op 3 juni 2022 door de woonconsulenten in de woning is aangetroffen, is te verenigen met hetgeen [het advocatenkantoor] over [de onderbewindgestelde] en diens zoon heeft gesteld. Het is mogelijk dat de aangetroffen persoon op dat moment bij tijdelijke afwezigheid van [de onderbewindgestelde] de zoon van [de onderbewindgestelde] bijstond.
- Onduidelijk is waar de door BrabantWonen genoemde opzichter en hulpverleners hun beschuldigingen aan het adres van [de onderbewindgestelde] op baseren.
- Voor zover BrabantWonen haar stellingen al in enige mate heeft onderbouwd, wordt die onderbouwing in elk geval ten dele weer ontkracht door de verklaringen van [persoon C] en van [persoon B] , die [het advocatenkantoor] in het geding heeft gebracht.