Deze zaak betreft een hoger beroep van ouders tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant die een omgangsregeling met hun minderjarige kind vaststelde. De minderjarige verblijft sinds januari 2022 in een perspectiefbiedend gezinshuis en het gezag is beëindigd ten gunste van een gecertificeerde instelling (GI).
De ouders vorderen een uitbreiding van de omgangsregeling, met geleidelijke toename van de contactduur en frequentie, met als einddoel een maandelijkse logeerregeling. De GI en de Raad voor de Kinderbescherming stellen dat de huidige omgangsregeling van eenmaal per acht weken begeleid contact het maximaal haalbare is, gezien de stress en gedragsproblemen die het contact bij de minderjarige veroorzaakt.
Tijdens de mondelinge behandeling is bevestigd dat de minderjarige na bezoeken met haar ouders vaak zes weken nodig heeft om te herstellen van de emotionele impact. De gezinshuisvader en professionals benadrukken het belang van veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige boven frequent contact.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:377a BW het kind recht heeft op omgang met de ouders, maar dat het belang van het kind voorop staat. Gezien de problematiek van de minderjarige acht het hof de huidige regeling passend en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.