Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats 1] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats 1] ,
5.Het verdere verloop van de procedure
- de rolbeslissing van 18 januari 2022 waarbij het hof heeft bepaald dat [appellante] alsnog een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep mag nemen;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel tevens houdende reactie wijziging eis van [appellante] ;
- de akte uitlatingen en overleggen producties van [geïntimeerden] ;
- de antwoordakte van [appellante] .
6.De beoordeling
Deze 8 paarden zijn door mij [geïntimeerde 1] gekocht van [appellante] op 2 maart 2014”, met een handtekening van [geïntimeerde 1] .
Tot mij wendt zich [geïntimeerde 2] , h.o.d.n. [manege 1] (..)
Inmiddels staan de paarden al geruime tijd in de stal van mijn cliënte. Maandelijks lopen de stallingskosten op. In totaliteit bedragen die op dit moment reeds ongeveer € 20.000,-.
U betaalt de bijgevoegde nota voor 15 juli 2016 en neemt de paarden binnen een week na betaling mee of indien geen betaling plaatsvind ga ik over tot verkoop van de paarden (..)”.
Heb verkocht paard [paard 6] met drie veulens van haar aan [persoon D] Wonende te [woonplaats 2] - Italië (..) Van de drie veulens verkocht voor de prijs van 5500,-“
Verklaar hierbij:
Geachte heer [echtgenoot] ,
uit te krijgen” nogal gecompliceerd was, maar zij achtte de stellingen van [geïntimeerden] desalniettemin geloofwaardig. Het hof is, anders dan de rechtbank, op grond van het thans bijgebrachte bewijs evenwel van oordeel dat [geïntimeerden] – met uitzondering van paard 1, [paard 1] , waarover in rov 6.12. meer - niet in het opgedragen bewijs zijn geslaagd. Het hof komt tot dit oordeel op grond van de navolgende feiten en omstandigheden.
een papier voor [persoon A] waaruit bleek dat mijn vader de paarden gekocht had” heeft gehaald.
zomaar” was vastgesteld, en geen relatie had tot de waarde van de paarden.
U heeft bij cliënte zeven paarden gestald” en: “
U realiseert zich bovendien, neem ik aan, dat cliënte nergens anders naar toe kan met deze paarden omdat zij uw eigendom zijn”. Hieruit leidt het hof af dat in ieder geval de advocaat van [geïntimeerde 2] de paarden niet als eigendom van [geïntimeerde 1] beschouwde.
niet onlogisch” is dat [geïntimeerde 1] als “
onderpand” voor de betaling de eigendom van de paarden wilde hebben. Letterlijk overwoog de rechtbank: “
In dat geval zal hij een onderpand willen hebben tot hij dat geld terugkrijgt van [appellante] , bestaande uit de eigendom van de paarden.”
Dhr [echtgenoot] en mw. [appellante] hebben toen besloten dat ik de paarden zogenaamd van hen zou kopen en ophalen bij dhr. [persoon A] . Dit heb ik vervolgens ook gedaan nadat er een koopcontract is gemaakt. Vervolgens ben ik naar dhr. [persoon A] toe gegaan (..) Ik heb hem laten zien dat ik ze gekocht had voor 7500,- (..)”
draagt [geïntimeerde 1] op te bewijzen dat[hij]
op of omstreeks 2 maart 2014 de acht paarden van [appellante] (..) heeft gekocht en in eigendom overgedragen heeft gekregen van [appellante] ,”. Dit probandum omvat alle kwesties die [geïntimeerden] thans wederom aanbieden te bewijzen. Ook de vraag of er een rechtsgeldige titel bestond voor de gestelde eigendomsverkrijging door [geïntimeerde 1] valt hieronder. Als getuigen zijn toen gehoord [geïntimeerde 1] , [persoon A] , Blomen, Ruber en J.H. [geïntimeerde 1] . M.W.G. [geïntimeerde 2] is destijds wel aangeboden als getuige, maar niet als zodanig opgeroepen en thans niet meer aangeboden als getuige voor deze kwestie.
vertrokken”. Het paard was daarom, vanwege het slechte weer, toen bij [geïntimeerde 1] (niet bij [geïntimeerde 2] ) gestald, zo schreef [persoon C] verder. Geen stellingen zijn door [geïntimeerden] ingenomen over de locatie of de wederwaardigheden van het paard in de periode tussen 8 augustus 2018 en 26 januari 2019. Bij gebrek aan enige andersluidende stelling leidt het hof hieruit voorshands af dat [paard 6] niet op andere wijze dan beschreven in artikel 3:115 sub Pro a (constitutum posssorium (c.p.))is geleverd door [geïntimeerde 1] aan [persoon C] en evenmin door [persoon C] aan Cadeddu, zodat de bescherming van artikel 3:86 BW Pro voor [persoon C] en/of Cadeddu hier geen toepassing zou kunnen vinden.
bij mijn vader op stal gezet” waren. (prod 6 dagv.) Ook hoefsmid Blomen verklaarde schriftelijk dat de paarden bij [geïntimeerde 1] op stal waren gezet (prod 7 cva) en [persoon C] ging zelfs zover dat hij schreef “
mevr. [geïntimeerde 2] is mij niet bekend.”