ECLI:NL:GHSHE:2023:2962

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 september 2023
Publicatiedatum
14 september 2023
Zaaknummer
200.325.952_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over zorgregeling en contact tussen ouders en minderjarige kinderen

In deze civiele zaak in hoger beroep gaat het om een geschil tussen de moeder en vader over de zorgregeling en het contact met hun twee minderjarige kinderen. De rechtbank had een regeling vastgesteld waarbij de vader na een eerste periode van videobellen contact kreeg met de kinderen onder bepaalde voorwaarden. De moeder is het hiermee niet eens en verzoekt dat contact alleen onder begeleiding mag plaatsvinden.

Tijdens de mondelinge behandeling verklaarden beide ouders hun standpunten. De moeder benadrukte dat de huidige regeling niet goed uitvoerbaar is en dat de vader sinds maart 2023 geen contact meer heeft gehad met de kinderen. De vader gaf aan bereid te zijn tot contact onder begeleiding en wees op praktische problemen zoals zijn naderende verhuizing.

De raad voor de Kinderbescherming stelde een verwijzing voor naar het hulptraject 'Ouderschap Blijft', gericht op het verbeteren van de communicatie tussen ouders en het onder begeleiding opstarten van contact. Beide ouders stemden hiermee in. Het hof besloot de beslissing over de zorgregeling aan te houden tot na afloop van het hulptraject en eventuele raadsonderzoeken. Het hof stelde voorwaarden voor informatie-uitwisseling en vervolgprocedures om de belangen van de kinderen centraal te stellen.

Uitkomst: De beslissing over de zorgregeling wordt aangehouden en ouders worden verwezen naar een hulptraject om de communicatie en het contact onder begeleiding te verbeteren.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak:14 september 2023
Zaaknummer: 200.325.952/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/381845 / FA RK 22-1942
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. W. Kolmans,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader.
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , Syrië;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , Syrië.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 januari 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 april 2023, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de beslissing over de zorgregeling en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vader uitsluitend onder begeleiding gerechtigd is tot contact met de twee kinderen.
2.2.
De vader heeft mondeling verweer gevoerd.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 juli 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Arabische taal T. Slimane;
  • de vader;
  • de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] .

3.De beoordeling

De feiten
3.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank
Oost-Brabant van 9 april 2021 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 6 juli 2021 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.
Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:
- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , Syrië;
- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , Syrië.
Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.
De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder
.
3.3.
In de periode van 29 september 2020 tot 29 september 2022 hebben beide kinderen onder toezicht gestaan van stichting [stichting].
3.4.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, een zorgregeling vastgesteld tussen de vader en de kinderen, inhoudende dat:
- de vader een periode van vier weken na de beschikking wekelijks gerechtigd is tot een videobelmoment met de kinderen op zondag om 10.00 uur en
- de vader na ommekomst van vier weken gerechtigd is tot contact met de kinderen een zondag per veertien dagen van 9.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de moeder de kinderen naar de vader brengt en de vader, na afloop van de contactregeling, de kinderen terugbrengt bij de moeder.
3.5.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.6.
De moeder heeft in haar beroepschrift en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, samengevat, aangevoerd dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling niet goed uitvoerbaar is en dat deze regeling daarom niet in het belang is van de kinderen. Zij heeft geprobeerd uitvoering te geven aan de zorgregeling, maar stond de tweede zondag voor een gesloten deur. Vervolgens is er een ruzie geweest, waarna de moeder aangifte heeft gedaan tegen de vader. Daarna, sinds eind maart 2023, heeft de vader geen contact meer met de kinderen gehad. De moeder wil wel dat de vader betrokken blijft bij de kinderen en dat hij de kinderen kan blijven zien, maar omdat het op deze manier niet werkt, verzoekt zij te bepalen dat de vader enkel onder begeleiding gerechtigd is tot contact met de kinderen.
Daarnaast voert de moeder aan dat zij het beter vindt dat de vader de kinderen komt ophalen en ook weer terugbrengt als de zorgregeling weer wordt opgestart, omdat zij het al erg druk heeft met de kinderen en gebleken is dat het niet goed werkt. De moeder verwacht dat als de overdracht van de kinderen in haar vertrouwde omgeving plaatsvindt er minder discussies tussen partijen zullen plaatsvinden.
3.7.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij graag voor de kinderen wil zorgen en samen met de moeder beslissingen over hen wil nemen. De vader stelt dat de omgang een keer niet door kon gaan omdat hij ziek was. De moeder heeft de kinderen toen toch gebracht. Zij stonden alleen bij zijn woning. Toen is er ruzie ontstaan. De vader heeft er geen problemen mee om de contacten weer onder begeleiding op gang te brengen. Verder merkt hij op dat zijn huurovereenkomst op 1 september 2023 verloopt en dat hij na die datum waarschijnlijk bij een vriend intrekt. Hij kan de kinderen dan niet meer bij hem thuis ontvangen.
De rechtbank heeft besloten dat de moeder de kinderen naar de vader brengt, en de vader de kinderen weer terugbrengt naar de moeder. De vader wil deze regeling handhaven. Hij wil dat de kinderen zien dat moeder bij hem mag komen.
3.8.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de ouders in het belang van de kinderen met elkaar in gesprek moeten gaan en stelt voor dat de ouders deelnemen aan het hulptraject “Ouderschap Blijft”.
Verwijzing uniform hulpaanbod
3.9.
Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling hebben beide ouders ingestemd met de door de raad voorgestelde verwijzing naar het hulpverleningstraject “Ouderschap Blijft” middels het uniform hulpaanbod. Het hof heeft met partijen de voorwaarden besproken die daarbij gelden en heeft tevens besproken dat het hof de beslissing over de zorgregeling zal aanhouden in afwachting van het verloop van het hulpverleningstraject. Het hof heeft na de mondelinge behandeling een proces-verbaal van doorververwijzing opgemaakt, dat – na ondertekening door partijen - is verzonden naar het zorgloket van de gemeente [woonplaats] en vervolgens is verzonden naar de hulpaanbieder [instantie] te [woonplaats] .
3.10.
Met deze verwijzing naar een hulptraject uit het uniforme hulpaanbod wil het hof ervoor zorgen dat de ouders leren op constructieve wijze en met respect naar elkaar te communiceren over de kinderen. Daarnaast zal de hulpverlening erop gericht zijn om de contacten tussen de vader en de kinderen weer onder begeleiding op te starten.
Wanneer blijkt dat ook met deze hulp de problemen niet goed genoeg opgelost kunnen worden, dan zal de raad bekijken wat er nog meer nodig is voor de minderjarigen. Met deze beschikking zorgt het hof ervoor dat dit (het hulpaanbod en een eventueel raadsonderzoek) één aaneengesloten traject is. Voor deze zaak betekent dit concreet het volgende.
3.11.
Het hulptraject zal uitgevoerd gaan worden door hulpaanbieder [instantie] te [woonplaats] . De bedoeling van het hulptraject is dat door partijen gewerkt wordt aan het behalen van de volgende doelen:
Het traject Ouderschap Blijft, met als doelen:
  • Ouders maken keuzes die het conflict verminderen en dragen daar hun verantwoordelijkheid voor.
  • Ouders dragen er zorg voor dat kinderen met beide ouders onbelast contact kunnen hebben.
  • Ouders kunnen weer de regie nemen over hun ouderschap waarbij de behoeften en de noden van het kind centraal staan.
  • Anders nl:
Het traject Omgangsbegeleiding door professionals, met als doelen:
  • Er is weer contact tussen de kinderen en beide ouders.
  • De ouder richt zich op zijn/haar eigen ouderschap en maakt afspraken over de communicatie met betrekking tot het welzijn van de kinderen.
  • De kinderen krijgen de gelegenheid hun ideeën, zorgen en wensen te delen met beide ouders.
  • Een contactregeling is vastgesteld die alle partijen aanvaarden en nakomen.
  • Anders nl:
3.12.
Het hof zal deze beschikking doorsturen naar [instantie] te [woonplaats] die het traject/de trajecten zal uitvoeren.
3.13.
Het hof verzoekt deze hulpaanbieder om de raad uiterlijk vier weken voorafgaand aan de eindevaluatie, of zoveel eerder als mogelijk is, te informeren over de datum van de eindevaluatie van het hulpverleningstraject, zodat de raad de gelegenheid krijgt om bij de eindevaluatie aan te sluiten of om zich op een andere manier op de hoogte te stellen van de reden van afloop van het traject. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de raad niet zal aansluiten indien het traject positief wordt afgesloten.
3.14.
Wanneer de raad op basis van de aldus verkregen informatie een raadsonderzoek noodzakelijk vindt, zal dit vervolgens door de raad uitgevoerd worden. Binnen drie maanden dient de raad over dit onderzoek een raadsrapport bij het hof in te dienen.
3.15.
Het hof zal na ontvangst van de informatie van de raad in het roljournaal de voortgang van de procedure vermelden. Wanneer partijen geen advocaat hebben, zal het hof partijen op een andere manier informeren.
3.16.
Deze beschikking geldt meteen als opdracht aan de raad om een onderzoek te verrichten indien het traject niet positief wordt afgesloten én de raad dat onderzoek noodzakelijk vindt.
3.17.
Voor het geval de raad zal overgaan tot een raadsonderzoek, verzoekt het hof de raad de volgende vragen in het raadsonderzoek betrekken en te beantwoorden:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de kinderen?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor contact en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen: hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
3.18.
Na ontvangst van de eindevaluatie, de reacties van partijen daarop en berichtgeving van de raad na een niet positief verlopen traject, zal het verdere verloop van de procedure worden bepaald. Indien de raad besluit tot raadsonderzoek, zal de raad daartoe direct overgaan zonder nadere mondelinge behandeling. Partijen dienen er rekening mee te houden dat als uitgangspunt geldt dat ook overigens geen nadere mondelinge behandeling volgt, omdat de zaak al inhoudelijk op de mondelinge behandeling is besproken en de standpunten van partijen bij het hof bekend zijn. Indien het hof zich op basis van de eindevaluatie en/of het rapport raadsonderzoek en/of de schriftelijke reacties van de advocaten van partijen daarop voldoende voorgelicht acht om een (eind)beschikking te wijzen, zal dan ook geen nadere mondelinge behandeling volgen. Indien partijen een nadere mondelinge behandeling nodig vinden, dienen zij bij hun reactie op de eindevaluatie en/of het rapport raadsonderzoek dit gemotiveerd te verzoeken. Het hof zal vervolgens beslissen over het verdere verloop van de procedure. Het hof kan beslissen dat er dan direct een beschikking komt of dat er nog een mondelinge behandeling wordt gepland. Daarom wordt de zaak nu eerst tot een pro forma mondelinge behandeling aangehouden.
3.19.
Op grond van het voorgaande beslist het hof als volgt.

4.De beslissing

Het hof:
verzoekt de hulpverlenende instantie
uiterlijk 4 weken voorafgaand aan de eindevaluatie van het hulpverleningstraject,of zoveel eerder als mogelijk, de raad te informeren over de datum van de eindevaluatie, zodat de raad in de gelegenheid is om bij de eindevaluatie aan te sluiten of zich op een andere manier op de hoogte te stellen van de reden van afloop van het traject;
stelt partijen in de gelegenheid om het hof
uiterlijk op 6 juni 2024te informeren over het verloop van het traject, de gewenste voortgang van de procedure en of, en zo ja waarom, zij een nadere mondelinge behandeling nodig vinden;
verzoekt de raad bij een niet positief verlopen traject het hof binnen twee weken na kennisneming van afloop van het traject te informeren of de raad een raadsonderzoek noodzakelijk vindt is, en, indien dat het geval is, (ook) een onderzoek te verrichten naar de zorgregeling en daarover bij het hof een rapport in te dienen, waarbij de hiervoor in rechtsoverweging 3.12 opgenomen vraagstelling wordt meegenomen en beantwoord;
houdt iedere beslissing over de zorgregeling aan tot de
pro forma zitting van 6 juni 2024.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, A.M. Bossink en K.A. Boshouwers en is op 14 september 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.