Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geintimeerde1] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 26 oktober 2021 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de comparitie van 23 februari 2022;
- de memorie van grieven tevens wijziging van eis met producties en eiswijziging;
- de memorie van antwoord met producties;
- de mondelinge behandeling, waarbij beide partijen spreeknotities hebben overgelegd;
- de bij brief van 22 maart 2023 door [appellant] toegezonden producties, die hij bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.
6.De beoordeling
Conform bovenstaande offerte voor een prijs van € 2 625,- inclusief BTW volgens bijgevoegde algemene leverings- en betalingsvoorwaarden van de opdrachtnemer" .
VERSLAG voorafgaande inspectie spouwmuur na-isolatie" door [geïntimeerden] opgesteld. Dit stuk houdt in dat de gevel/spouw van de woning geschikt is voor na-isolatie. Het inspectieverslag maakt melding van vochtproblemen in de plint (buitenspouwblad),
Extra werkzaamheden/ Bijzonderheden
welke in de naisolatiebranche als richtlijn van de redelijke eisen van goed en deugdelijk werk worden gehanteerd. (..).
Partijen hebben afgesproken dat op basis van uw antwoord op vraag 15 er beslist moet worden welke partij in het gelijk gesteld wordt, waar vervolgens consequenties aan verbonden zijn Ik verwijs naar pagina 4 van de door partijen ondertekende offerte. [ [geïntimeerden] ] verzoekt u bij vraag 15 hierop terug te komen.”
Dit maakt geen onderdeel uit van de vraagstelling, de gestelde vragen als in de rapportage opgenomen. Verder ter kennisgeving aangenomen.”
belangrijk is dat beide partijen zich aan de uitkomsten van het onderzoek zullen houden”.
“-Indien [geïntimeerden] in het ongelijk gesteld wordt, zal zij de reeds door [appellant] gemaakte onderzoeks- en reparatiekosten (..) vergoeden en overgaan tot deugdelijk herstel van de overeengekomen werkzaamheden;
welke partij in het gelijk werd gesteld” geantwoord (geparafraseerd) dat die vraag niet was voorgelegd. Dit laatste nu is onjuist, naar het oordeel van het hof. Uit de door BB zelf opgestelde en door haar mede getekende overeenkomst van opdracht met [appellant] en [geïntimeerden] , hebben deze opdrachtgevers redelijkerwijs moeten en kunnen afleiden dat door de bindend adviseur - ter beëindiging van het geschil - ook duidelijk antwoord zou worden gegeven op de vraag op welke partij het (on)gelijk rust. In zoverre berust het antwoord van de bindend adviseur, dat de vraag niet aan hem is voorgelegd wie van partijen in het gelijk wordt gesteld, op een vergissing.
De vochtproblematiek in de kelder van de woning als door ondergetekende is vastgesteld is geïnitieerd door andere oorzaken dan de na-isolatiewerkzaamheden door [geïntimeerden].”) maar waren al aanwezig vanaf de nieuwbouw van de woning. Zij zijn inherent aan de constructie van de woning. (“
vochtdoorslag door het metselwerk van de buitenwanden van de kelder naar de binnenruimten van de kelder, door het niet geheel waterkerend zijn van de buitenmuren van de kelder”).
De verhoging van het maaiveld door [appellant] (..), en de later aangebrachte waterafstotende laag tegen de buitenzijde van de kelderwanden”) als de na-isolatiewerkzaamheden
(“de toename van de vervuiling van de onderzijde van de spouw door het boren van vulopeningen ten behoeven van de na-isolatie door [geïntimeerden] als ook de aangebrachte na-isolatie”)de situatie verder ongunstig beïnvloed. De invloed op de vochtproblemen door de na-isolatiewerkzaamheden is volgens de bindend adviseur echter verwaarloosbaar omdat “
de ongunstige beïnvloeding (..) in hoofdzaak (is) ontstaan met het hoger aanleggen van het maaiveld rond de woning waardoor een sterkere vervuiling in de spouw is opgetreden, het aanbrengen van een waterkerende laag aan de buitenzijde van de kelderwanden en als laatste en minst sterke (naar de mening van ondergetekende zelfs verwaarloosbare) invloed het afnemen van de droging/spouwventilatie door de naisolatiewerkzaamheden.”.
Genoemde zou naar de mening van ondergetekende echter niet persé hebben geleid tot een andere situatie dan de huidige waarin de gebreken tot uiting komen") in het licht van het gehele rapport verwarrend en te zwak is geformuleerd, maar via de uitleg als door het hof gegeven kan dit antwoord alsnog goed begrepen worden.
kelder.
het niet geheel waterkerend zijn van de buitenmuren van de kelderonder de woning
Hierbij komt de toename in de tijd, voor [appellant] eigenaar van de woning werd, van de vervuiling in de onderzijde van de spouw door de hoogte van het destijds aangelegde maaiveld rond de woning. De verhoging van het maaiveld door [appellant] , de toename van de vervuiling van de onderzijde van de spouw door het boren van vulopeningen ten behoeven van de na-isolatie door [geïntimeerden] als ook de aangebrachte na-isolatie en de later aangebrachte waterafstotende laag tegen de buitenzijde van de kelderwanden door [appellant] hebben de situatie slechts ongunstig beïnvloed .
Deze situatie blijkt uit mededelingmogelijkreeds aanwezig vanaf nieuwbouw van de woning daar vanaf nieuwbouw de bovenzijde van de kelderwanden reeds waren uitgevoerd met niet waterdicht metselwerk.[onderstreping hof]
”.Van wie die mededeling afkomstig is, wordt niet vermeld. Uit hun stellingen blijkt echter dat deze mededeling niet van [appellant] of [geïntimeerden] afkomstig was. Aldus heeft de bindend adviseur op dit punt in beginsel onvoldoende inzicht gegeven in de oorsprong van de door hem mogelijk relevant geachte informatie. Bij zijn constateringen over de verkleuring van het metselwerk geeft de bindend adviseur als bron van zijn kennis impliciet zijn eigen deskundigheid (“
De verkleuring van het metselwerk van de buitengevels tot boven het aansluitende maaiveld is ook reeds initieel aanwezig geweest vanaf nieuwbouw van de woning en is inherent aan de bouwwijze”).
mogelijkvanaf de nieuwbouw aanwezig was - waardoor de relevantie daarvan minder groot wordt - leidt de fout/omissie van de adviseur met betrekking tot de oorsprong van de informatie rond de situatie bij de nieuwbouw naar het oordeel van het hof niet tot de conclusie dat gebondenheid van [appellant] aan het bindend advies naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht.