De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die een machtiging tot uithuisplaatsing van haar vier kinderen heeft verleend aan de gecertificeerde instelling (GI). De moeder betwist de noodzaak van de uithuisplaatsing en voert aan dat zij een stabiele opvoeder is en openstaat voor hulpverlening.
Het hof verwijst naar de eerdere beschikking van de rechtbank en bevestigt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Het hof overweegt dat de moeder onvoldoende onderbouwing levert om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Er is een gezinsonderzoek ingesteld dat zes tot negen maanden zal duren en dat de duur van de machtiging overstijgt.
Het hof benadrukt het belang van het ‘tweesporenbeleid’ waarbij de moeder een traject bij de GGZ volgt en een onafhankelijk gezinsonderzoek plaatsvindt. Zolang er geen duidelijkheid is over de opvoedvaardigheden van de moeder en de mogelijkheden voor terugplaatsing, blijft de uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de kinderen.
De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar primaire verzoek tot een deskundigenonderzoek en het hof wijst het hoger beroep voor zover het de machtiging betreft af. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.