ECLI:NL:GHSHE:2023:3072

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 september 2023
Publicatiedatum
26 september 2023
Zaaknummer
20-003975-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 MeststoffenwetArt. 6:1:22 SvArt. 70 SrArt. 6:6:26 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel Meststoffenwet

In hoger beroep is het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd wat betreft de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van €833.074. De betrokkene werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen. De advocaat-generaal verzocht het hof het bedrag van de betalingsverplichting te verlagen naar €818.074, terwijl de verdediging stelde dat het voordeel nihil moest zijn.

Het hof oordeelde dat de door de verdediging aangevoerde investeringskosten in een emissievrije mestverwerkingsinstallatie niet in mindering konden worden gebracht op het voordeel, omdat deze kosten niet direct verband hielden met het strafbare feit (overtreding van artikel 20 van Pro de Meststoffenwet). De overtreding stelde de onderneming juist in staat investeringen te bekostigen en mogelijk concurrentievoordeel te behalen.

Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, waardoor de betalingsverplichting met €5.000 werd gematigd tot €828.074. Het draagkrachtverweer werd afgewezen omdat niet aannemelijk was dat betrokkene geen draagkracht had of zou hebben, mede gelet op de wettelijke mogelijkheden tot uitstel en betaling in termijnen.

Het vonnis werd bevestigd met uitzondering van de betalingsverplichting, die werd aangepast. De maximale duur van gijzeling werd vastgesteld op 365 dagen. Het arrest werd uitgesproken op 13 september 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Betrokkene is verplicht tot betaling van €828.074 aan wederrechtelijk verkregen voordeel met matiging wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003975-19
Uitspraak : 13 september 2023
TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 17 december 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-997000-18 en 01-995072-19, tegen

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 833.074 en is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een gelijk bedrag aan de Staat.
Namens de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2023 alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen voor wat betreft de voordeelsberekening maar zal vernietigen ten aanzien van de opgelegde betalingsverplichting en, in zoverre opnieuw rechtdoende, aan de betrokkene een betalingsverplichting zal opleggen van € 818.074.
De raadsman heeft bepleit dat het voordeel op nihil moet worden bepaald.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis en met de redengeving waarop dit berust, met uitzondering van de op te leggen betalingsverplichting en de bepaalde duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd en met aanvulling van een overweging omtrent de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsman heeft, op gronden als verwoord in de pleitnota, bepleit dat het voordeel op nihil dient te worden gesteld, nu betrokkene geen voordeel heeft genoten. Daartoe is kort samengevat aangevoerd dat
  • betrokkene de gelden die hij heeft verkregen door de verkoop van zijn pluimveerechten in 2015 geheel heeft geïnvesteerd in een emissievrije mestverwerkingsinstallatie ( [naam] ). Derhalve is er door betrokkene - nagenoeg - geen financieel voordeel genoten, aldus de raadsman;
  • het door betrokkene genoten voordeel niet dient te worden ontleend aan de prijzen van leaserechten maar aan de bespaarde rente over de lening die betrokkene had ten behoeve van aankoop van in eigendom toebehorende pluimveerechten, dan wel de bespaarde rente door het niet (door middel van een lening) aankopen van deze rechten.
Ten aanzien van het eerstgenoemde standpunt van de raadsman overweegt het hof in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank, in navolging van de advocaat-generaal, dat de door de verdediging gestelde investeringskosten niet in directe relatie staan tot het strafbare feit (overtreding artikel 20 Meststoffenwet Pro). Deze gestelde kosten zijn immers niet gemaakt om het delict te begaan of te voltooien; hooguit werd met de bekostigde investeringen in de mestverwerkingsinstallatie beoogd en getracht in de loop van de tijd (een deel van) de nadelige gevolgen van het handelen in strijd met artikel 20 van Pro de Meststoffenwet te verminderen of te elimineren. De productie in de onderneming zou onverminderd in stand worden gehouden terwijl de productierechten werden verkocht zodat overtreding van artikel 20 van Pro de Meststoffenwet gegeven was. De aldus bewerkstellligde overtreding van de Meststoffenwet stelde de onderneming juist in staat om investeringen in de onderneming te bekostigen. De vrijgekomen gelden zijn aldus door betrokkene geïnvesteerd in de onderneming, waarmee zeer wel mogelijk een voorsprong op concurrenten werd genomen en allerminst was uitgesloten dat daarmee een waardestijging van de onderneming werd of kon worden bereikt. Het hof zal de gestelde investeringskosten derhalve niet in mindering brengen op het geschatte wederrechtelijk voordeel of de op te leggen betalingsverplichting.
Op te leggen betalingsverplichting
Redelijke termijn
In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Betrokkene heeft op 19 december 2019 hoger beroep ingesteld en het hof zal op 13 september 2023 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep – arrest wijzen. Deze overschrijding is niet (geheel) aan de verdediging toe te rekenen en van andere bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop kunnen rechtvaardigen is niet gebleken.
Het hof zal de betalingsverplichting vanwege de overschrijding van de redelijke termijn matigen met een bedrag van € 5.000,00 en dus aan betrokkene een betalingsverplichting opleggen van: € 828.074.
Draagkrachtverweer
De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de draagkracht van de betrokkene.
Het hof overweegt daarover het volgende.
In beginsel moet de draagkracht aan de orde worden gesteld in de executiefase. In het ontnemingsgeding kan de draagkracht alleen een rol spelen wanneer meteen duidelijk is dat de betrokkene op dit moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Vooralsnog is niet aannemelijk geworden dat de betrokkene geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben.
Het hof heeft daarbij ook gelet op de geldende verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van deze betalingsverplichting ingevolge artikel 6:1:22 van Pro het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 70 van Pro het Wetboek van Strafrecht, terwijl het Openbaar Ministerie gedurende die termijn onbeperkt uitstel van betaling kan verlenen en betaling in termijnen kan toestaan.
Artikel 6:6:26, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering biedt bovendien aan de betrokkene een rechtsgang waarin hij vermindering of kwijtschelding van het door het hof vast te stellen bedrag kan verzoeken.
Het hof verwerpt dan ook het gevoerde draagkrachtverweer.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting;
legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 828.074,00 (achthonderdachtentwintigduizend vierenzeventig euro);
bevestigt het vonnis voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene
bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 365 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. A.J. Henzen, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. W.F. Koolen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Dijk, griffier,
en op 13 september 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. A.J. Henzen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.