Deze civiele zaak betreft een door een erfgenaam ingestelde vordering om de nalatenschap van zijn overleden vader te verdelen ten overstaan van een notaris met benoeming van een onzijdig persoon. De vader was in 2020 overleden en had een nalatenschap met schulden. De erfgenamen hadden de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard en een lichte vereffening uitgevoerd.
De appellant stelde dat hij onvoldoende geïnformeerd was over de omvang en samenstelling van de nalatenschap en dat de andere erfgenamen goederen in bezit hadden genomen zonder hem te betrekken. Hij vorderde daarom een gerechtelijk bevel tot verdeling. De geïntimeerden voerden verweer dat de nalatenschap al was verdeeld via de lichte vereffening en dat de appellant voldoende was geïnformeerd en uitgenodigd tot participatie.
Het hof oordeelde dat de appellant niet ontvankelijk was in zijn vordering tot verdeling omdat hij onvoldoende concrete feiten en bewijs had gesteld die de omvang van de nalatenschap zouden rechtvaardigen. De communicatie tussen erfgenamen was voldoende geweest en het niet deelnemen van appellant was zijn eigen keuze. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de nalatenschap negatief was en dat de vordering daarom niet toewijsbaar was.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en bepaalde dat elke partij de eigen proceskosten draagt. De vordering tot betaling van proceskosten werd eveneens afgewezen. Het arrest werd gewezen door drie rechters en op 26 september 2023 uitgesproken.