Deze zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg inzake een voorlopige contactregeling tussen een vader en zijn minderjarige kind. De vader woont in Italië en reist regelmatig naar Nederland voor contactmomenten. De moeder betwist de huidige regeling en vindt deze te intensief en belastend voor het kind.
De rechtbank had bepaald dat de minderjarige na een opbouw om de week een weekend bij de vader verblijft in Nederland, met wekelijkse videobelcontacten. De moeder is het hier niet mee eens en heeft de regeling aangevochten. De vader heeft de rechtbankelijke beschikking laten bekrachtigen en benadrukt het belang van contact met zijn kind.
Het hof stelt vast dat de vader zich liefdevol en geduldig opstelt en de contactmomenten goed invult. De Raad voor de Kinderbescherming ondersteunt het contact en ziet geen contra-indicaties. Hoewel de moeder veranderingen in het gedrag van het kind signaleert, zijn deze volgens het hof verklaarbaar door de nieuwe omgangssituatie. Het hof oordeelt dat de voorlopige regeling in het belang van het kind is en wijst het beroep van de moeder af.