ECLI:NL:GHSHE:2023:3145

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 juli 2023
Publicatiedatum
28 september 2023
Zaaknummer
20-000940-19
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 337 SrArt. 63 SrArt. 6 EVRMArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging en matiging gevangenisstraf voor medeplegen van namaakgoederen

In deze strafzaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd waarin verdachte is veroordeeld wegens medeplegen van het verkopen en in voorraad hebben van namaakgoederen. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Het hof heeft het hoger beroep van verdachte behandeld en de gronden van de rechtbank onderschreven, maar constateerde een schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De periode tussen het instellen van het hoger beroep en het arrest bedroeg ruim 4 jaar, terwijl de redelijke termijn maximaal 2 jaar is. Het hof rekent een deel van de vertraging toe aan de verdediging, maar stelt vast dat de overschrijding ruim 8 maanden bedraagt.

Vanwege deze termijnoverschrijding past het hof een strafkorting toe van ongeveer 10%, waardoor de gevangenisstraf wordt verminderd tot 8 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De strafmotivering wordt aangevuld en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de strafduur betreft. Verder bevestigt het hof het vonnis in alle overige opzichten.

Uitkomst: Gevangenisstraf van 8 maanden opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000940-19
Uitspraak : 13 juli 2023
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 12 maart 2019, in de strafzaak met parketnummer 01-997630-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank verdachte veroordeeld ter zake van
medeplegen van opzettelijk waren waarop een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst en/of waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als een tekening of model waarop een ander recht heeft dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertonen, verkopen of te koop aanbieden of in voorraad hebben, terwijl de schuldige het plegen van het misdrijf genoemd in artikel 337 eerste Pro lid van het Wetboek van Strafrecht, als bedrijf uitoefent, meermalen gepleegd,tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank beslist op de inbeslaggenomen goederen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Namens verdachte is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust,
  • met uitzondering van de door de rechtbank opgelegde strafmotivering en straf. De strafmotivering zal worden aangevuld. Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd voor zover het de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft;
  • met dien verstande dat het hof de door de eerste rechter aangehaalde toepasselijke wettelijke voorschriften zal verbeteren in die zin dat in plaats van het aanhalen van artikel 377 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) kennelijk artikel 337 Sr Pro is bedoeld. Daarnaast ziet het hof aanleiding om de door de rechtbank aangehaalde artikelen waarop de strafoplegging is gegrond aan te vullen met artikel 63 Sr Pro, nu dat artikel eveneens toepassing vindt.
Het hof kan zich in beginsel op zichzelf vinden in de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, en de daaraan ten grondslag gelegde strafmotivering, nu hetgeen in hoger beroep in verband met de strafoplegging naar voren is gebracht het hof niet tot andere overwegingen brengt dan de rechtbank in haar vonnis heeft neergelegd.
Het hof komt echter tot een andere strafoplegging aangezien is gebleken dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in hoger beroep is geschonden. In dat verband stelt het hof het volgende vast.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van haar zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Het hof heeft geconstateerd dat tussen het instellen van het hoger beroep door de verdachte op 25 maart 2019 en het wijzen van het arrest door het hof op 13 juli 2023 een periode van 4 jaar en 2 maanden is verstreken, waardoor arrest wordt gewezen na het verstrijken van voornoemde tweejaarstermijn.
Naar het oordeel van het hof is een deel daarvan toe te schrijven aan de verdediging, en stelt vast dat voor het overige de redelijke termijn met ruim 8 maanden is overschreden. Het hof zal derhalve een strafkorting toepassen van ongeveer 10%.
Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de strafmotivering en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorengaande.
Aldus gewezen door:
mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,
mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. A.C. Bosch, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. V.C. Minneboo, griffier,
en op 13 juli 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. J.T.F.M. van Krieken is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.