ECLI:NL:GHSHE:2023:3174

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
20 september 2023
Publicatiedatum
29 september 2023
Zaaknummer
20-000166-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervalsing van een verklaring omtrent gezinsinschrijving en de gevolgen voor verblijfsvergunning

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 20 september 2023 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte is beschuldigd van het opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, namelijk een verklaring omtrent gezinsinschrijving, om een verblijfsvergunning te verkrijgen. De politierechter had de verdachte eerder veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, maar het hof heeft dit vonnis vernietigd en de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 171 uren, subsidiair 85 dagen hechtenis.

De feiten van de zaak zijn als volgt: de verdachte heeft op 21 juli 2015 in Hoofddorp een aanvraag ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, waarbij hij een vervalst document heeft overgelegd. Dit document bevatte onjuiste informatie over zijn inschrijving in het bevolkingsregister in Spanje. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte, samen met een ander, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van dit vervalste geschrift. De verdediging voerde aan dat de verdachte niet op de hoogte was van de vervalsing, maar het hof oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het gebruik van het vervalste document.

Het hof heeft de strafbaarheid van de verdachte bevestigd en de op te leggen sanctie gematigd vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in de eerste aanleg. De beslissing is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 225 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft de verdachte uiteindelijk veroordeeld tot een taakstraf van 171 uren, waarbij de overschrijding van de redelijke termijn in de straftoemeting is verdisconteerd.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000166-23
Uitspraak : 20 september 2023
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 19 januari 2023, in de strafzaak met parketnummer 82-318388-20 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1976,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij:
op of omstreeks 21 juli 2015 te Hoofddorp, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, als het ware het geschrift echt en onvervalst, te weten:
- verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister [plaats] (DOC-019-03),
door genoemd geschrift te overleggen en/of te verstrekken aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst ter verkrijging van een verblijfsvergunning, en bestaande die valsheid of vervalsing daarin dat op/in het genoemde geschrift is vermeld dat:
- verdachte samen met [medeverdachte] woonachtig en/of ingeschreven was in [plaats] , terwijl verdachte nimmer in [plaats] woonachtig en/of ingeschreven is geweest.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:
Op of omstreeks 21 juli 2015 in Hoofddorp tezamen en in vereniging met een ander,opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst geschrift, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, als het ware het geschrift echt en onvervalst, te weten:
- verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister [plaats] (DOC-019-03),
door genoemd geschrift te overleggen en/of te verstrekken aan de Immigratie- enNaturalisatiedienst ter verkrijging van een verblijfsvergunning, en bestaande die vervalsing daarin dat op/in het genoemde geschift is vermeld dat:
- verdachte samen met [medeverdachte] woonachtig en ingeschreven was in [plaats] , terwijl verdachte nimmer in [plaats] woonachtig en ingeschreven is geweest.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal van de Inspectie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, directie Opsporing, kantoor Eindhoven, op ambtsbelofte opgesteld door [verbalisant] , proces-verbaalnummer 6640-2020-0111, gesloten d.d. 26 augustus 2020, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 319.
1.
Een schriftelijk bescheid, te weten een door de verdachte ondertekende Aanvraag toetsing aan EU-recht d.d. 20 juli 2015 (DOC-013-23), dossierpagina 140-143, voor zover inhoudende:
Als u een familie- of gezinslid van een burger van de Unie bent en u heeft zelf niet de nationaliteit van één van bovengenoemde landen dan moet u met dit formulier een aanvraag indienen om toetsing aan het EU-recht en afgifte van een verblijfsdocument EU voorverblijf bij een burger van de Unie (uw verblijfgever). U bent verplicht om een aanvraag om toetsing aan het EU-recht in te dienen. U moet namelijk kunnen aantonen dat u legaal in Nederland verblijft en met welk verblijfsdoel dat is.
1. Gegevens van de aanvrager (houder van het verblijfsdocument)
Naam [verdachte]
Geslacht en geboortedatum Man, [geboortedag 1] 19976
Geboorteplaats [geboorteplaats 1]
Geboorteland [geboorteplaats 1]
Nationaliteit Marokkaanse
2 Doel van het verblijf in Nederland
U bent een (niet uit de EU afkomstig) familielid van een burger van de Unie (niet zijnde een Nederlander)
[X] (niet uit de EU afkomstige) echtgeno(o)te/(geregistreerd) partner van een burger van de Unie (niet zijnde een Nederlander)
Lever bij uw aanvraag de volgende aanvullende bewijsstukken en documenten in: (…)
In het geval van een relatie, lever dan ook mee
- Bewijsmiddelen waaruit naar voren komt dat u een duurzame relatie onderhoudt met de burger van de Unie. Dit blijkt uit het feit dat u reeds gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voert of recentelijk heeft gevoerd. Indien de samenwoning niet in Nederland wordt/is gevoerd, toont u dit aan door:
o Een bewijs dat u in het buitenland heeft samengewoond. Hiertoe kunnen de volgende documenten worden overgelegd: een bewijs van inschrijving in een gemeentelijke administratie (…)
3 Ondertekening door de aanvrager
Ik vraag om toetsing aan het EU-recht en afgifte van een bewijs rechtmatig verblijf voor mij/mijn kind/het kind dat ik wettelijk vertegenwoordig. Ik heb dit formulier naar waarheid ingevuld. Ik weet dat de ingevulde persoonsgegevens voor de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 worden verwerkt en worden doorgegeven aan instanties die deze gegevens daarvoor nodig hebben. Wijzigingen in mijn situatie/de situatie van het kind die betrekking hebben op het verblijfsrecht, geef ik direct door aan de IND.
Ik lever dit formulier in.
3.1
Naam [verdachte]
3.2
Plaats en datum Den Haag, 20-07-2015
3.3.
Handtekening [
handtekening verdachte]
2.
Een schriftelijk bescheid, te weten de Nederlandse vertaling van de verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister [plaats] d.d. 21 april 2015 (DOC-019-03), dossierpagina 289, voor zover inhoudende:

Autonome stad [plaats]

Afdeling Register en Informatie
VERKLARING OMTRENT GEZINSINSCHRIJVING BEVOLKINGSREGISTER
De op het Bevolkingsregister van deze gemeente aanwezige gegevensbestanden zijn geraadpleegd en gebleken is dat op de dag van heden en op het aangegeven blad de volgende inschrijving voorkomt:

GEGEVENS BEVOLKINGSREGISTER [WONING]:

Soort straat GRUP Naam straat [naam]
Nummer 8 Blok 8 Deur 11

GEGEVENS INSCHRIJVING

Volgnr.
Naam en achternamen
Geslacht
Identiteitsbewijs
1
[medeverdachte]
V
Nat. Ident.bewijs D.N.I.
Datum inschr.
Geboortedatum
Geboorteplaats
Nationaliteitsland
Nummer
Letter
[geboortedag 2] 1985
[geboortedag 2] 1985
[geboorteplaats 2]
[geboorteplaats 2]
[nummer 1]
D
Volgnr.
Naam en achternamen
Geslacht
Identiteitsbewijs
3
[verdachte]
M
Datum inschr.
Geboortedatum
Geboorteplaats
Nationaliteitsland
Nummer
Letter
6/6/2014
[geboortedag 1] 1976
[geboorteplaats 1]
[geboorteplaats 1]
[nummer 2]
KZ
DATUM DOCUMENT 21/04/2015 10:03:34
DOCUMENT VERKLARING OMTRENT INDIVIDUELE
INSCHRIJVING BEVOLKINGSREGISTER
DIENST REGISTER EN INFORMATIE VAN DE AUTONOME STAD [plaats]
3.
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 november 2020 (documentcode AMB-001-01), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 21 juli 2015 heeft [verdachte] fysiek een aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend voor zijn verblijf bij zijn EU-partner [medeverdachte] . Op de beschikking is vermeld dat betrokkene de aanvraag op 21 juli 2015 bij het IND-loket Hoofddorp heeft ingediend.
4.
Een schriftelijk bescheid, te weten een Nederlandse vertaling van de officiële brief van het Directoraat-Generaal van de Politie, Verbindingseenheid van de Afdeling voor Internationale Samenwerking van het Openbaar Ministerie, d.d. 20 maart 2020 (DOC-049-04 / OEIP 73/2020-A), bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2022 (proces-verbaalnummer 6640-2017-1631), voor zover inhoudende:
Met betrekking tot het document van uw referentie, wordt medegedeeld dat de identificatie en de woonplaats van de verdachten als volgt zijn:
 [verdachte] , zonder gegevens in Spanje.
5.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2022, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Inzake de volgende koppels zijn Spaanse verklaringen omtrent inschrijving bevolkings-register in hun IND dossier aangetroffen:
 [verdachte] - [medeverdachte] (DOC-019-03)
Middels een Europees Onderzoeksbevel (EOB), ingediend op 25 januari 2020, is aan de Spaanse autoriteiten verzocht om een (historische) bevraging in het bevolkingsregister van Spanje, alsmede de authenticiteit van de Spaanse documenten (verklaringen omtrent inschrijving bevolkingsregister), uit te voeren om zodoende controleerbaar te maken of er daadwerkelijk een duurzame samenleving heeft plaatsgevonden en/of de Spaanse documenten echt, dan wel vals en/of vervalste documenten betreffen.
Op 24 november 2020 is er door onderzoeksteam Abilene een antwoord vanuit Spanje ontvangen inzake het ingediende EOB (DOC-049-02-01 en DOC-049-02-02) waarvan vervolgens op 25 november 2020 het zakelijke gedeelte (DOC-049-03) is ingediend ter vertaling naar de Nederlandse taal. De officiële beëdigde en ondertekende vertaling (DOC-049-04) is door het onderzoeksteam Abilene op 4 december 2020 ontvangen. Uit het antwoord inzake het ingediende EOB blijkt het volgende:
"Met betrekking tot het document van uw referentie, wordt medegedeeld dat de identificatie en de woonplaats van de verdachten als volgt zijn:
 [verdachte] , zonder gegevens in Spanje.”
Zoals in het EOB staat vermeld bestaan er inzake [verdachte] , geen gegevens in Spanje. Hierdoor kan worden gesteld dat de ingediende verklaring omtrent inschrijving bevolkingsregister Spanje, welke als bewijsstuk als echt en onvervalst bij de IND tijdens de procedure aanvraag tot rechtmatig verblijf in Nederland is ingediend een vals, dan wel vervalste document betreft. Concreet kan gesteld worden dat het volgende ingediende document bij de IND een vals, dan wel vervalst exemplaar betreft:
 Verklaring inschrijving bevolkingsregister inzake [verdachte] – [medeverdachte] (DOC-019-03)
Door het indienen van valse, dan wel vervalste verklaringen omtrent inschrijving bevolkingsregister, met het oogmerk deze verklaringen als echt en onvervalst te gebruiken voor de aanvraag tot rechtmatig verblijf in Nederland, heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte, strafbaar gesteld in artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.
6.
Een schriftelijk bescheid (dossierpagina’s 154-196), te weten een verslag hoorzitting Immigratie- en Naturalisatiedienst d.d. 17 december 2015, dossierpagina’s 154-196, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
2. Verslag zitting betrokkene
(Pagina 154)
Achternaam bij geboorte betrokkene : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboortedatum : [geboortedag 1] 1976
(Pagina 166)
Heeft [medeverdachte] ooit op uw adres ingeschreven gestaan in [plaats] ?
Ze (
het hof begrijpt: [medeverdachte]) stond niet ingeschreven bij mij. Ik leefde formeel zonder adres.
Bewijsoverwegingen
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op het gebruik van de vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister, nu niet de verdachte, maar een derde partij zich over de voor de Aanvraag Toetsing aan het EU-recht benodigde bijlagen moet hebben ontfermd. De verdachte ging er in goed vertrouwen van uit dat deze partij de juiste formulieren zou overleggen en was er derhalve niet van op de hoogte dat de verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister een vervalst geschrift betrof.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het strafdossier, alsmede het verhandelde ter terechtzitting, volgt dat de verdachte op 20 juli 2015 een Aanvraag Toetsing aan het EU-recht heeft ingevuld en dat deze met bijlagen op 21 juli 2015 fysiek heeft ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Op grond van deze aanvraag is vereist dat de aanvrager aantoont dat hij een duurzame relatie onderhoudt met een burger van de Europese Unie. Een van de manieren om een duurzame relatie aan te tonen, is door overlegging van een bewijs van inschrijving in een gemeentelijke administratie, zodat bewezen kan worden dat de aanvrager met een burger van de Europese Unie in het buitenland heeft samengewoond. Als bijlage bij de Aanvraag Toetsing aan het EU-recht van de verdachte is een verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister gehecht, waarin staat vermeld dat de verdachte sinds 6 juni 2014 ingeschreven stond in [plaats] (Spanje). Uit schriftelijke bescheiden van de Spaanse autoriteiten is echter gebleken dat de verdachte nimmer in Spanje in het bevolkingsregister ingeschreven heeft gestaan. Naar het oordeel van het hof is er aldus sprake van een vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Door dit document bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst in te dienen, heeft de verdachte gebruik gemaakt van het valse geschrift.
Het hof acht bewezen dat verdachte hierin niet alleen heeft gehandeld en dat hij in ieder geval voor deze constructie medewerking heeft gekregen van een ander, zijn beweerdelijke partner.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – had op het gebruik van voornoemd vervalst geschrift. In dat verband stelt het hof voorop dat van aanvragers van een verblijfsvergunning, mede gelet op het belang dat zij hebben bij de procedure, verwacht mag worden dat zij de nodige zorgvuldigheid betrachten bij het indienen van een dergelijke aanvraag en zelf de authenticiteit van de bij de aanvraag gevoegde documenten controleren. Door een Aanvraag Toetsing aan het EU-recht te ondertekenen, waarbij bijlagen zijn gevoegd, waarvan zonneklaar is dat deze doorslaggevend zijn voor de beoordeling van de aanvraag, en deze aanvraag inclusief bijlagen vervolgens in te dienen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst met het doel een verblijfsdocument voor zichzelf te verkrijgen, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij de aanvraag een vervalst document was gevoegd en hij derhalve een vervalst document, als ware het echt en onvervalst, zou indienen. Daarmee heeft verdachte, naar het oordeel van het hof, voorwaardelijk opzet gehad op het gebruik van de vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister.
Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer.
Resumerend acht het hof, op grond van het hiervoor overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij op of omstreeks 21 juli 2015 in Hoofddorp, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister, door dit geschrift bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst in te dienen ter verkrijging van een verblijfsvergunning. In de verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister is opgenomen dat de verdachte samen met [medeverdachte] woonachtig en ingeschreven was in [plaats] , terwijl de verdachte nimmer in [plaats] ingeschreven is geweest. De verdachte heeft door zijn handelwijze het vertrouwen geschaad dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van door de verdachte opgegeven persoonsgegevens mag worden gesteld. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 juli 2023, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder hier ter lande voor strafbare feiten is veroordeeld.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte in Nederland woont, maar veel in België is omdat hij mantelzorger is van zijn zieke moeder.
Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.
Ten slotte heeft het hof in aanmerking genomen dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte, langer dan redelijk is, onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft voorts te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld.
Het hof stelt vast dat de verdachte niet is verhoord, noch in verzekering is gesteld. Uit pagina 22 van het procesdossier, dat is opgemaakt op 26 augustus 2020, volgt echter dat de verdachte meermalen is verzocht zichzelf te melden ten behoeve van een verhoor, aan welk verzoek de verdachte geen gehoor heeft gegeven. Het hof zal daarom, ten gunste van de verdachte, 26 augustus 2020 als uitgangspunt nemen voor de aanvang van de redelijke termijn. De rechtbank heeft op 19 januari 2023 vonnis gewezen. Vervolgens is door de verdachte op 19 januari 2023 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 20 september 2023 – einduitspraak.
Het tijdsverloop tussen het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 EVRM en het wijzen van het vonnis door de politierechter bedraagt 2 jaren en bijna 5 maanden. Derhalve is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van 5 maanden. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen, is het hof niet gebleken. Daar staat tegenover dat de berechting in hoger beroep binnen acht maanden is gerealiseerd, zodat binnen een periode van 3 jaar en één maand berechting in twee instanties heeft plaatsgevonden.
Hoewel de vraag kan worden gesteld of de overschrijding van de termijn in eerste aanleg gevolgen dient te hebben, nu in hoger beroep zeer voortvarend te werk is gegaan, zal het hof in het voordeel van verdachte de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de duur van de op te leggen taakstraf zal matigen met 5 procent, hetgeen neerkomt op 9 uren.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 171 uren subsidiair 85 dagen hechtenis.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
171 (honderdeenenzeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
85 (vijfentachtig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. F.C.J.E. Meeuwis, voorzitter,
mr. G.J. Schiffers en mr. F. van Es, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos en A. Burgmeijer, griffiers,
en op 20 september 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Meeuwis voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.