Uitspraak
5.Het geding in hoger beroep
- het tussenarrest van 5 juli 2022 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2022;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord;
- de schriftelijke toelichting/het schriftelijk pleidooi van [appellant] ;
- de schriftelijke toelichting/het schriftelijk pleidooi van [geïntimeerde] .
6.De beoordeling
d.d. 7 maart jl. aan cliënt, met als bijlage een kopie van het schrijven aan u, zomede aan [persoon D] .
Door u wordt de klacht samengevat als dat ik “de zaak niet goed zou hebben behandeld waardoor nog grotere problemen zijn ontstaan”.” De klacht heeft niet tot tuchtrechtelijke gevolgen voor [geïntimeerde] geleid.
als vervallen te beschouwen is” en dat [appellant] geen aanspraak zal maken “
ten aanzien van de boeteclausule”. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] niet van de inhoud van deze brief op de hoogte was. Dit betekent dat [appellant] op of kort na 15 maart 2012 wist dat hij geen aanspraak meer zou kunnen maken op nakoming van de koopovereenkomst. Uit de in de brief gebruikte bewoordingen valt dit immers ook voor de juridische leek zonder meer af te leiden. [appellant] was op dat moment dus in staat om de deugdelijkheid van de prestatie van [geïntimeerde] te beoordelen. Of de koopovereenkomst wel of niet rechtsgeldig was ontbonden is, anders dan [appellant] betoogt, in dit licht niet relevant. Het gaat erom dat [geïntimeerde] namens [appellant] in de brief onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig heeft verklaard dat de koopovereenkomst als vervallen te beschouwen is, waaruit de kopers mochten afleiden dat [appellant] geen aanspraak meer zou maken op nakoming, en dat dit zonder meer blijkt uit de in de brief gebruikte bewoordingen.
de zaak niet goed zou hebben behandeld waardoor nog grotere problemen zijn ontstaan”.
€ 4.314,-