De vader was in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Limburg die een machtiging tot uithuisplaatsing van zijn minderjarige kind had verleend. De machtiging betrof een verblijf bij een pleegouder voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep bleek dat de machtiging tot uithuisplaatsing nog niet was uitgevoerd en dat de gecertificeerde instelling (GI) deze ook niet meer tijdig kon uitvoeren, omdat er geen geschikt pleeggezin was gevonden binnen de wettelijke termijn van drie maanden.
Hierdoor trok de vader zijn hoger beroep in. Het hof verklaarde de vader niet-ontvankelijk in zijn beroep, omdat de gronden van het beroep niet langer werden gehandhaafd. De beschikking van de rechtbank bleef daarmee in stand.
De zaak betrof een civielrechtelijke procedure binnen het personen- en familierecht, waarbij ook de Raad voor de Kinderbescherming als belanghebbende was betrokken. De uitspraak werd gedaan door drie raadsheren van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 12 oktober 2023.