3.2.Ten aanzien van [kind 1] gelden bijzondere afspraken en wel als volgt. Vader dient het contact tussen [kind 1] en zijn biologische vader uit Curaçao te waarborgen. Dat betekent onder meer, dat [kind 1] in de gelegenheid wordt gesteld om op elke mogelijke wijze ongestoord contact te hebben met zijn biologische vader. Indien er sprake is van samenloop tussen de omgangsmomenten met de biologische vader en de omgangsmomenten van de vader, dan zal er voorrang en ruimte worden gegeven aan de contact- casu quo omgangsmomenten tussen [kind 1] en de biologische vader, te meer gezien de biologische vader uit Curaçao naar Nederland komt.
3.2.1.In de procedure in eerste aanleg heeft de man in conventie - samengevat en voor zover in hoger beroep van belang - gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- voorlopig te bepalen dat aan artikel 3.2. van het ouderschapsplan geen werking toekomt en dat dit artikel wordt geschorst;
- te bepalen dat de vrouw de afspraken voor het contact tussen de man en de kinderen alsmede het halen en brengen, conform artikel 3.1 van het ouderschapsplan nakomt op straffe van een dwangsom van € 500,00 per overtreding tot een maximum van € 5.000,00;
- voorlopig de vrouw te veroordelen er haar medewerking aan te verlenen dat [kind 1] ongehinderd (telefonisch) contact kan en mag hebben met de man en waarbij wordt bepaald dat [kind 1] en de man iedere woensdag een (video)bel afspraak hebben van 18.30 uur tot 19.00 uur.
3.2.2.De vrouw heeft in conventie verweer gevoerd en in reconventie - samengevat en voor zover in hoger beroep van belang - gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de vastgestelde zorg- en opvoedingsregeling in de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 3 januari 2023 tussen de man en [kind 1] voorlopig wordt opgeschort, althans wordt afgeschaald naar één zaterdag per twee weken in afwachting van de bodemzaak;
- te bepalen dat de man wordt veroordeeld om artikel 3.2 uit het ouderschapsplan na te komen indien de voorzieningenrechter van mening mocht zijn dat de zorgregeling ten aanzien van [kind 1] , al dan niet voorlopig afgeschaald, dient te worden voortgezet;
- te bepalen dat er slechts op de woensdagen met de kinderen [kind 2] en [kind 3] telefonisch contact is van 18.30 uur tot 19.00 uur en voor zover een zorgregeling ten aanzien van [kind 1] aan de orde blijft, ook ten aanzien van [kind 1] , waarbij de man tevens dient te worden veroordeeld om de vrouw buiten deze regeling telefonisch niet te benaderen voor telefonisch contact met de kinderen.
3.2.3.Bij vonnis in kort geding waarvan hoger beroep heeft de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw:
- veroordeeld de omgangsregeling tussen de man en de drie kinderen, conform het bepaalde in artikel 3.1. van het ouderschapsplan, na te komen, met dien verstande dat de man voortaan de drie kinderen op vrijdag om 16.00 uur bij de vrouw ophaalt en de vrouw de kinderen op zondag om 18.00 uur ophaalt bij de man;
- veroordeeld om aan de man een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan voormelde veroordeling voldoet;
- bepaald dat voorlopig (totdat de bodemrechter anders heeft beslist dan wel partijen in onderling overleg anders zijn overeengekomen) [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] en de man iedere woensdag een belafspraak hebben van 18.30 tot 19.00 uur;
En voorts:
- de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
3.2.4.De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.3.1.De vrouw heeft – kort en zakelijk weergegeven – gevorderd:
- primair, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te vernietigen, voor zover de vrouw daarbij is veroordeeld om aan de man een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat zij niet aan de veroordeling voldoet;
- subsidiair dit vonnis te wijzigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de dwangsom dient te worden gematigd tot een bedrag van € 25,00 per dag met een maximum van € 2.000,00.
Zij heeft daartoe in hoger beroep één grief aangevoerd.
Tevens heeft de vrouw onder vermeerdering van haar eis gevorderd dat, indien het hof het primair gevorderde mocht afwijzen en het subsidiair gevorderde mocht toewijzen althans afwijzen, de man een dwangsom dient te verbeuren van € 250,00 per dag of dagdeel dat de man in gebreke blijft aan de beslissing van de voorzieningenrechter in 6.3 en in 6.1 te voldoen, voor zover die laatste ziet op de veroordeling dat de man voortaan de drie kinderen op vrijdag om 16.00 uur bij de vrouw ophaalt en de vrouw de kinderen op zondag om 18.00 uur bij de man ophaalt, met een maximum van € 20.000,00.
3.3.2.De man heeft in zijn memorie van antwoord gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen in hoger beroep.
3.3.3.Volgens de vrouw heeft de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis aan de veroordeling tot nakoming ten onrechte een dwangsom verbonden en ten onrechte geen maximum aan deze dwangsom verbonden. De vrouw komt de omgangsregeling na en heeft zich gehouden aan de bijzondere afspraak zoals neergelegd in het ouderschapsplan. De vrouw heeft niet de intentie om het contact tussen [kind 1] en de vader te verhinderen. Door het opleggen van een dwangsom is er een ongelijke en onrechtvaardige situatie gecreëerd tussen partijen, nu de vrouw zich altijd aan de omgangsregeling heeft gehouden terwijl de man dat vaak niet deed. Er dient geen dwangsom te worden opgelegd. Wanneer het hof beslist dat de dwangsom terecht is opgelegd, verzoekt de vrouw deze te matigen tot € 25,00 per dag met een maximum van € 2.000,00 dan wel een bedrag zoals het hof juist acht.
Een dwangsom zonder maximering kan theoretisch leiden tot een oneindig hoog bedrag hetgeen tot een absoluut onrechtvaardige en onevenredige situatie kan leiden.
Wanneer het hof de dwangsom handhaaft, verzoekt de vrouw ook de man te veroordelen tot nakoming van de regeling onder verbeurte van een dwangsom, omdat juist hij de regeling regelmatig niet of niet goed nakomt. Dat geldt ook ten aanzien van de belmomenten, aldus de vrouw.
3.3.4.Volgens de man moet de veroordeling van de vrouw tot nakoming onder verbeurte van een dwangsom in stand blijven. De man kan er niet op vertrouwen dat de vrouw haar medewerking aan de omgangsregeling zal blijven verlenen als de financiële prikkel van de dwangsom verdwijnt. De man verzet zich niet tegen een maximering van die dwangsom.
De enkele reden dat de vrouw een dwangsom heeft opgelegd gekregen is overigens geen reden om aan de man ook een dwangsom op te leggen. De man komt de zorgregeling en de belregeling na.
3.3.5.De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof - kort samengevat - aangegeven dat de man zal moeten proberen te accepteren dat, gezien de leeftijd van de kinderen (met name de jongste twee), de afgesproken telefoongesprekken geen half uur zullen duren. Ten aanzien van de dwangsommen heeft de raad niet geadviseerd.
De motivering van de beslissing in hoger beroep