De moeder is in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant die haar ouderlijk gezag over haar twee kinderen heeft beëindigd en de gecertificeerde instelling (GI) tot voogd heeft benoemd. De kinderen verblijven sinds 2019 onder toezicht van de GI en zijn sinds 2020 uit huis geplaatst in een netwerkpleeggezin.
De moeder betoogt dat de beëindiging van het gezag niet noodzakelijk is, omdat zij duurzaam bereid is de kinderen in het pleeggezin te laten opgroeien en actief bijdraagt aan hun begeleiding. Zij heeft de kinderen zelf geïnformeerd over hun toekomst en de komst van een nieuw broertje, maar zonder overleg met de GI. De moeder heeft een moeizame relatie met de GI en bestrijdt onder meer de omgangsregeling.
De raad en de GI stellen dat de moeder onvoldoende intrinsieke motivatie toont om de uithuisplaatsing te accepteren en dat de kinderen behoefte hebben aan duidelijkheid en rust. De kinderen hebben ernstige ontwikkelingsachterstanden en zijn gebaat bij een stabiele opvoedingssituatie. Het hof oordeelt dat de moeder niet in staat is binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen en dat het belang van de kinderen bij duidelijkheid en stabiliteit voorop staat.
Het hof wijst het verzoek van de moeder tot vernietiging af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank. Het beëindigen van het gezag is noodzakelijk om de ontwikkeling van de kinderen te beschermen en is niet in strijd met het EVRM. De GI blijft voogd over de kinderen.