Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
.[minderjarige] heeft het hof op 13 oktober 2023, dus na de mondelinge behandeling weer een brief gestuurd. Deze brief heeft het hof niet met partijen kunnen bespreken maar de inhoud ervan is vrijwel van gelijke aard en strekking als de brief van 31 juli 2023 die wel met partijen is besproken op de mondelinge behandeling.
3.De beoordeling
voorlopigde bij beschikking van het hof Amsterdam van 22 juni 2021 bepaalde omgangsregeling geschorst en bepaald dat de omgang tussen [minderjarige] en zijn moeder
voorlopig, totdat daarover door de rechtbank nader wordt beslist of partijen in onderling overleg daarover nadere afspraken maken, zal plaatsvinden onder professionele begeleiding en regie van het ingezette traject bij [instantie] op de door deze hulpverlener aangegeven wijze, waarbij toegewerkt dient te worden naar de omgangsregeling zoals die door het hof Amsterdam bij beschikking van 22 juni 2021 was bepaald.
De rechtbank is in raadkamer tot de voorlopige conclusie gekomen dat er behoefte is aan nadere informatie over [minderjarige] voordat er inhoudelijk kan worden beslist over alle verzoeken. " en onder no. 5.5.:
'In afwachting van de bedoelde stukken en de akte en antwoordakte wordt iedere beslissing aangehouden." dus
Strijd met fundamentele (proces)rechtsbeginselen die een behoorlijke rechtspleging garanderen, voorop de regels aangaande hoor en weerhoor en waarheidsvinding: de rechtbank heeft nagelaten conform de basisregels van het Nederlandse bewijsrecht aan een behoorlijke feitenvaststelling te doen en zonder een deugdelijke feitenvaststelling kán de rechtbank niet tot een juist oordeel komen [11]
R.o. 2.3 "Horen van [minderjarige] " strijd met artt. 809 Rv. artt. 3,12 IVRK juncto artt. 3,6,8 en 13 EVRM waar de rechtbank strijdig met toepasselijke rechtsbeginselen, ongemotiveerd, geen enkel belang hecht, gewicht toekent laat staan een juridische consequentie verbindt, zoals die rechtsbeginselen voorschrijven, aan de ondubbelzinnig geuite mening van [minderjarige] dat hij zich bij zijn vader onveilig voelt, bang is voor zijn vader, ongelukkig is, bij zijn moeder wil wonen en wenst dat zijn moeder in het ouderlijk gezag wordt hersteld.
hij vindt het niet fijn dat hij of en toe gepest wordt door zijn vader". Dit is een onjuiste weergave die in het geheel niet congrueert met wat [minderjarige] blijkens het voorgelezene ter zitting op 14 oktober heeft verteld. [minderjarige] zei op 6 mei 2022 namelijk dat hij "
eigenlijk gewoon gepest wordt door zijn vader." Tot twee maal toe zegt [minderjarige] tegen de rechter dat hij :"
uitgescholden wordt" "
met die woorden"(waarbij [minderjarige] zoals de rechter ter zitting toelichtte, verwees naar zijn eigen brief aan de rechter van 10 januari die moeder niet kent). [minderjarige] gaf aan dat dat uitschelden: "
elke dag, een paar keer" gebeurt. Ook dat vader het "
per whatsapp" doet. Moeder heeft als Productie 2 een selectie van die scheldwhatsapps overgelegd.
Er zijn geen andere redenen voor [minderjarige] om niet langer bij zijn vader te willen wonen" krijgt deze zin nu een geheel andere betekenis die de situatie juist bagatelliseert. Hij lijkt terug te slaan op de zin ervoor en suggereert dat het feit dat hij 'alleen maar' "af en toe gepest wordt door zijn vader", de reden is waarom [minderjarige] zegt dat hij weg wil. Ten eerste heeft het kind dit zo niet gezegd, maar juist gezegd dat hij "gewoon gepest" (dagelijks, meermaals) wordt door zijn vader, hetgeen dus het tegendeel van "af en toe" inhoudt, namelijk een dagelijkse gang van zaken beschrijft, ten tweede laat de weergave door de kinderrechter ter zitting zoals meegetypt ter zitting, zien dat [minderjarige] juist heeft bedoelen te zeggen: en dat alleen, dus het nare gedrag van mijn vader is waarom ik terugwil, niet omdat ik andere redenen zou hebben. Met andere woorden: ook het kind
zelfzegt dat hij geen loyaliteitsprobleem heeft maar doodongelukkig is bij zijn vader.
onbegrijpelijk, waarom de rechtbank er een soort "drie halen, één betalen"-houding op nahield voor wat betreft het te houden kindgesprek met [minderjarige] (zie ook no. 2.3 "ook in het kader van..."): in plaats van ná die 5 maanden opnieuw te spreken met [minderjarige] , en een nieuwe momentopname te maken vlak voor de zitting van 14 oktober 2022, zodat ook getoetst kon worden of [minderjarige] inmiddels minder `last had" van zijn loyaliteitsconflict" .H et is onbegrijpelijk dat de rechtbank zelfs niet pro-actief aan waarheidsvinding doet en toetst of [minderjarige] "behandeling" vruchten afwerpt, maar meegaat met een ongemotiveerd verweer of betoog
R.o. 2.26 Ten onrechte heeft de rechtbank geen bijzonder curator aangesteld, gemeend zelf een beslissing te kunnen nemen zonder dat [minderjarige] de gelegenheid heeft gehad zijn authentieke stem ten processe te laten horen en zijn belangen die conflicteren met die van zijn ouder met éénhoofdig gezag, te borgen.
ius standigeeft en dus de enige borging in het Nederlands procesrecht is voor genoemd grondrecht. De reden het verzoek af te wijzen is niet gegrond in enig feit en overigens strijdig met artt. 3, 12 IVRK en art. 809 Rv Pro. juncto artt. 6, 8 en 13 EVRM. [minderjarige] belang via een advocaat- bijzonder curator zijn eigen authentieke stem ten processe te laten
subsidiairingeval uw college [minderjarige] niet aan de moeder toevertrouwt bij wijze van voorlopige voorziening ex art. 223 Rv Pro. en [minderjarige] bij de vader laat, een omgangsregeling vast te stellen met de moeder
.
Het hof volgt de stelling van de moeder niet dat zij, omdat zij pas vlak voor de mondelinge behandeling op de hoogte was van de rapportage van [instantie] , niet eerder dit verzoek heeft kunnen doen. Het hof stelt vast dat de rapportage van [instantie] immers, naar de stelling van de moeder, bevestigt wat zij reeds in eerste aanleg heeft gesteld. Ook de wetenschap dat het hof [instantie] niet als informant of getuigedeskundige voor de mondelinge behandeling had opgeroepen is naar het oordeel van hof geen omstandigheid die reden geeft een uitzondering op de strakke regels van het procesrecht te maken.
Gelet echter op de beslissing van het hof en de omstandigheid dat het hof de beslissing op (een deel van) de verzoeken zal aanhouden in afwachting van het onderzoek door een door het hof aangestelde bijzondere curator zal het hof de moeder ontvangen in haar wijziging van het verzoek. Hierbij overweegt het hof dat het hof het in het belang van [minderjarige] acht om, wat de beslissing van het hof ook moge zijn, uiteindelijk een eindbeslissing te geven, waarbij eventuele nieuwe procedures in de toekomst zoveel mogelijk kunnen worden voorkomen. Zoals reeds tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, zal het hof de vader in de gelegenheid stellen om desgewenst schriftelijk op de wijziging van het verzoek door de moeder te reageren.
Het komt de raad voor dat [minderjarige] als veertienjarige consequent is in zijn wens om bij de moeder te willen wonen. Hij wil dat de ouders vrede met elkaar hebben en daarin zit, volgens de raad, de oplossing. De ouders zouden diep in hun hart moeten kijken en bedenken wat de diepste wens van [minderjarige] is. De raad ziet een complexe situatie die men heeft geprobeerd te doorbreken door [minderjarige] bij de vader te plaatsen. De situatie is de afgelopen jaren echter niet veranderd. [minderjarige] blijft consequent zijn vader afwijzen, terwijl hij inmiddels daar al jaren zijn hoofdverblijfplaats heeft.
De raad ziet als enige oplossing dat de vader, liefst uit eigen beweging, [minderjarige] toestaat om terug te gaan naar de moeder. Als de vader dat zou kunnen doen, is dat volgens de raad zijn grootste (en misschien wel zijn enige) kans om op termijn een band met [minderjarige] te houden. Als de vader dit niet doet, schat de raad de kans groot in dat [minderjarige] zich uiteindelijk definitief van zijn vader zal afkeren, ook na zijn achttiende.
)en op dezelfde gronden als de rechtbank die het hof, na eigen beoordeling en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat het op grond van artikel 279 lid 1 Rv Pro in iedere zaak aan de rechter is om te bepalen, wie de belanghebbenden zijn. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de grootouders geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro. De situatie waar de moeder zich op beroept (dat de grootouders vanaf de geboorte van [minderjarige] in een nauwe betrekking met hem hebben samengeleefd in de zin van artikel 1:377a BW en ook als primaire verzorgers samen met de moeder op [minderjarige] betrokken zijn geweest) is al sinds medio juni 2020 gewijzigd en in de onderhavige zaak daarom al een langere periode niet meer aan de orde. Het hof volgt de moeder niet in haar beroep op artikel 798 Rv Pro juncto artikel 8 EVRM Pro en wijst het verzoek van de moeder af
.
www.rechtspraak.nl. Het hof acht de taak van de bijzondere curator er in deze zaak in gelegen dat zij ervoor zorgt dat de belangen van [minderjarige] zo goed mogelijk worden belicht en dat hij zich gehoord voelt.
- hoe het met [minderjarige] gaat;
- wat de authentieke wens van [minderjarige] is ten aanzien van wie beslissingen over hem kan nemen, over zijn hoofdverblijfplaats en over zijn contact met zijn beide ouders;
- wat er nodig is en/of wat [minderjarige] nodig heeft om uit het loyaliteitsconflict te komen waarin hij is komen te verkeren;
- of er in verband met dit onderzoek nog andere feiten en/of omstandigheden naar voren zijn gekomen die van belang om in de rapportage en het advies te vermelden, waarbij het haar vrij staat om een advies uit te brengen over de benodigde hulpverlening ten behoeve van [minderjarige] , als zij die nodig vindt.
pro forma 1 februari 2024.
4.De beslissing
[minderjarige] (hierna: [minderjarige] ),geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] :
- er voor zorgdraagt dat de bijzondere curator de beschikking krijgt over de actuele adresgegevens van alle betrokkenen;
- er voor zorgdraagt dat de bijzondere curator de beschikking krijgt over alle processtukken die zich in het dossier bevinden;
- een afschrift van het rapport van de bijzondere curator te zijner tijd aan partijen en belanghebbenden zal toezenden;
pro forma 1 februari 2024.