In deze zaak staat de vervoersregeling tussen ouders na echtscheiding centraal. De moeder, woonachtig in Duitsland met de kinderen, verzocht het hof om de zorg- en vervoersregeling te wijzigen zodat de vader de kinderen volledig zou halen en brengen, met compensatie via alimentatie. De rechtbank had eerder bepaald dat de ouders deze taken delen.
De moeder voert aan dat zij rijangst heeft en angst voor de vader, wat het halen en brengen voor haar moeilijk maakt. Ook zouden de kinderen last hebben van wagenziekte en stress tijdens de ritten. De vader betwist de rijangst en stelt dat de afstand en praktische omstandigheden het niet rechtvaardigen dat hij het volledige vervoer op zich neemt.
Het hof oordeelt dat het belang van de kinderen voorop staat en dat het delen van de vervoersregeling het beste is. Er is onvoldoende bewijs dat de moeder niet kan rijden en dat de vader de kinderen volledig moet vervoeren. Ook acht het hof een tussenlocatie niet in het belang van de kinderen. De eerdere beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd, waarbij de vader de kinderen op vrijdag op school in Duitsland ophaalt en de moeder ze op zondag bij de grootouders van de vader terugneemt.