AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toekenning schadevergoeding voor kosten rechtsbijstand na strafzaak zonder strafoplegging
Verzoeker diende een verzoek in tot vergoeding van kosten rechtsbijstand en kosten voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift op grond van artikel 530 vanPro het Wetboek van Strafvordering. De strafzaak tegen verzoeker eindigde zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a Sr, waardoor aan de voorwaarden voor vergoeding werd voldaan.
De raadkamer behandelde het verzoek in het openbaar, waarbij verzoeker niet verscheen maar zijn raadsman wel. De advocaat-generaal gaf een schriftelijke conclusie tot gematigde toewijzing, welke ter zitting werd gehandhaafd. Het hof nam kennis van de stukken en concludeerde dat de opgegeven kosten voldoende waren onderbouwd en niet bovenmatig geacht konden worden gezien de aard en omvang van de strafzaak.
Hoewel de rechter niet gebonden is aan de declaraties van de raadslieden, en terughoudend moet zijn bij toetsing van afspraken tussen cliënt en raadsman, achtte het hof in deze zaak gronden van billijkheid aanwezig om de vergoeding toe te kennen zoals verzocht. De vergoeding voor kosten rechtsbijstand werd vastgesteld op €11.305,30 en voor het verzoekschrift op een forfaitair bedrag van €680,-, totaal €11.985,30.
De beslissing werd uitgesproken door het hof en de betaling aan verzoeker binnen zes weken gelast. Een na de zitting ontvangen mail van de raadsman werd buiten beschouwing gelaten.
Uitkomst: Verzoeker krijgt een schadevergoeding van €11.985,30 voor kosten rechtsbijstand en verzoekschrift toegekend.
Uitspraak
Raadkamer
Bijzondere zaak, nummer: 000334-23
Parketnummer: [parketnummer]
Beschikking op verzoek schadevergoeding ex artikel 530 vanPro het Wetboek van Strafvordering
Beslissing van de voorzitter van de raadkamer van het gerechtshof op het op 12 april 2023 ter griffie van dit hof ingekomen verzoek van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
te dezer zake woonplaats kiezende ten kantore van
[advocaat] , [vestigingsadres] .
Het verzoek strekt tot toekenning van een vergoeding uit 's Rijks kas ter zake van:
de kosten van rechtsbijstand als bedoeld in artikel 530 vanPro het Wetboek van Strafvordering;
de kosten voor het opstellen, indienen en de behandeling van het onderhavige verzoekschrift.
Het onderzoek van de zaak
Het verzoekschrift is op 19 oktober 2023 door de raadkamer van dit hof in het openbaar behandeld.
Verzoeker is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De raadsman van verzoeker is wel ter zitting in raadkamer verschenen en hij heeft verklaard bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn.
Het hof heeft kennisgenomen van de schriftelijke conclusie van de advocaat-generaal van
23 mei 2023 en van de reactie van de raadsman daarop van 1 augustus 2023.
De schriftelijke conclusie van de advocaat-generaal strekt tot gematigde toewijzing van het verzoek. Ter zitting in raadkamer heeft de advocaat-generaal voornoemd standpunt gehandhaafd.
De raadsman heeft gepersisteerd bij het verzoek en zijn schriftelijke reactie van 1 augustus 2023. [1]
De beoordeling
Het verzoek is tijdig ingediend.
Uit de gedingstukken, waaronder begrepen de stukken van de strafzaak, blijkt dat de strafzaak tegen verzoeker onder bovengenoemd parketnummer het laatst voor dit hof werd
vervolgd en is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Aan de voorwaarden waaronder op de voet van artikel 530 vanPro het Wetboek van Strafvordering aan verzoeker, als gewezen verdachte, een schadevergoeding kan worden toegekend, is derhalve voldaan.
Kosten rechtsbijstand
Uit de aard van de strafzaak vloeit de wenselijkheid voor de gewezen verdachte voort om zich van rechtsbijstand te voorzien. De opgegeven kosten worden genoegzaam gestaafd door de overgelegde declaratie-specificaties en het beloop daarvan valt - mede gelet op de omvang en het verloop van de strafzaak - niet als bovenmatig aan te merken.
Toekenning van een vergoeding heeft plaats indien en voor zover daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Voor zover de advocaat-generaal heeft aangevoerd dat een uurtarief van € 250,- als ‘standaard’ kan worden aangemerkt, overweegt het hof het navolgende.
Wat betreft de hoogte van de toe te kennen vergoeding is de rechter niet gebonden aan de door de raadslieden opgestelde declaraties, ook niet indien deze zijn voorzien van een gedetailleerde urenspecificatie. De in de jurisprudentie gebezigde formulering dat dergelijke declaraties niet meer zijn dan een uitgangspunt, brengt tot uitdrukking dat de rechter de ruimte heeft daarvan – in matigende zin – af te wijken indien en voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Tegelijkertijd dient de schadevergoedingsrechter, gezien het recht op vrije advocatenkeuze, terughoudend te zijn bij de toetsing van tussen de cliënt en de raadslieden gemaakte afspraken. Een en ander heeft tot een min of meer bestendige lijn in de jurisprudentie van de gerechtshoven geleid, die erop neer komt dat van de declaraties van de betrokken rechtsbijstandverleners kan worden afgeweken indien deze, bijvoorbeeld wat betreft het aantal ingeschakelde rechtsbijstandverleners, de hoeveelheid in rekening gebrachte uren of de gehanteerde uurtarieven, alle omstandigheden en belangen in aanmerking genomen, ‘in het oog springend bovenmatig’ zijn.
Het hof acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, in de onderhavige zaak gronden van billijkheid aanwezig om een vergoeding toe te kennen zoals namens verzoeker verzocht. Aan de hand van deze norm komt ter zake van de kosten van rechtsbijstand een bedrag van € 11.305,30 voor vergoeding in aanmerking.
Kosten verzoekschrift
Voor het opstellen en indienen van het onderhavige verzoekschrift kent het hof, overeenkomstig de conclusie van de advocaat-generaal, een forfaitaire vergoeding toe van € 680,-.
Totaal
In totaal komt voor vergoeding in aanmerking een bedrag van € 11.985,30.
BESLISSING
Het hof:
Kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe ten bedrage van € 11.985,30
(zegge: elfduizend negenhonderdvijfentachtig euro en dertig eurocent).
Aldus beslist door mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mw. M.J.M. van de Pol, griffier,
en uitgesproken ter openbare raadkamer van dit gerechtshof van 16 november 2023.
mr. O.A.J.M. Lavrijssen is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Bij ontstentenis van de voorzitter, beveelt de oudste raadsheer de tenuitvoerlegging van deze beslissing en gelast de griffier van dit hof binnen zes weken na heden aan verzoeker te betalen een bedrag van € 11.985,30 (zegge: elfduizend negenhonderdvijfentachtig euro en dertig eurocent)door overmaking daarvan op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [tenaamstelling] onder vermelding van ‘ [betalingskenmerk] ’.