In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen het vonnis van de politierechter te Roermond, waarin de betrokkene werd veroordeeld voor het opzettelijk telen en verkopen van hennep. De politierechter stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €44.838,59 en legde een betalingsverplichting van €44.838,- op aan de Staat, met een maximale gijzelingsduur van 1080 dagen.
De advocaat-generaal vorderde in hoger beroep een vermindering van het ontnemingsbedrag tot €22.419,-, stellende dat sprake was van medeplichtigheid en dat het voordeel pondsgewijs verdeeld moest worden. Het hof oordeelde echter dat onvoldoende bewijs was geleverd voor samenwerking met anderen en dat het ontnemingsbedrag derhalve niet verminderd kon worden.
Het hof verbeterde en vulde de motivering van de politierechter aan, bevestigde het vonnis en wees de vordering van de advocaat-generaal af. De uitspraak werd in verstek gedaan, waarbij de raadsheren het arrest op 24 november 2023 uitspreken.