ECLI:NL:GHSHE:2023:3958

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 november 2023
Publicatiedatum
28 november 2023
Zaaknummer
20-000604-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afpersing, oplichting en openlijke geweldpleging met medeplegen

In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd, behalve voor de strafoplegging en de beslissing op het beslag. De verdachte werd vrijgesproken van één primair tenlastegelegd feit, maar veroordeeld voor meerdere feiten waaronder afpersing, openlijke geweldpleging, medeplegen van oplichting en afdreiging.

De feiten betreffen een serie strafbare handelingen over een periode van drie maanden, waarbij de verdachte en een medeverdachte zich voordeden als vrouwelijk persoon op chatsites om seksueel getint materiaal aan te bieden. Betrokkenen werden vervolgens benaderd in valse hoedanigheid van politieagenten om betalingen af te dwingen onder dreiging van strafvervolging of publicatie van naaktfoto’s. Ook werd geweld gebruikt bij een fysieke ontmoeting.

Het hof achtte de gedragingen ernstig, met inbreuk op eigendomsrechten en lichamelijke integriteit van slachtoffers. De verdachte misbruikte het vertrouwen in politieambtenaren en richtte zich op financieel gewin. Persoonlijke omstandigheden, waaronder psychologische rapportages en reclasseringsadviezen, werden meegewogen. De redelijke termijn was overschreden, wat matiging van de straf tot gevolg had.

De opgelegde straf bestaat uit 18 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 240 uur. Het hof gelastte de bewaring van in beslag genomen sleutels ten behoeve van de rechthebbende. De overige beslissingen van de rechtbank werden bevestigd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000604-23
Uitspraak : 24 november 2023
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 16 februari 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 01-177673-20 en 01-017042-22, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder 6 primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 01-177673-20 en is de verdachte ter zake van:
 afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen (feit 1 van parketnummer 01-177673-20);
 openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen (feit 2 van parketnummer
01-177673-20);
 medeplegen van oplichting (feit 3 van parketnummer 01-177673-20);
 medeplegen van oplichting (feit 4 van parketnummer 01-177673-20);
 medeplegen van oplichting (feit 1 van parketnummer 01-017042-22);
 oplichting (feit 5 van parketnummer 01-177673-20);
 medeplegen van afdreiging (feit 6 primair van parketnummer 01-177673-20),
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelast van de in beslag genomen sleutels (te weten: 2 sleutels van een brom-/snorfiets en 1 kluissleutel). Ten slotte heeft de rechtbank beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] (behorende bij feit 4) en [benadeelde 2] (behorende bij feit 5). De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is tot een bedrag van € 35,00 hoofdelijk toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is geheel toegewezen voor een bedrag van € 730,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op het beslag en – te dien aanzien opnieuw rechtdoende – de teruggave van het beslag aan de medeverdachte [medeverdachte] zal gelasten.
De verdediging heeft:
 vrijspraak bepleit van de in de zaak met parketnummer 01-177673-20 onder 2 en onder 6 primair tenlastegelegde feiten;
 zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot de overige tenlastegelegde feiten;
 verzocht om oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest (75 dagen) en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf en eventueel een taakstraf, zonder daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden, hooguit een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] ;
 het hof verzocht conform de rechtbank te beslissen op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ;
 met betrekking tot het beslag naar voren gebracht dat de sleutels mogelijk aan de medeverdachte [medeverdachte] toebehoren en dat het hof daarvan, in dat geval, de teruggave aan de medeverdachte zal gelasten.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de strafoplegging en de beslissing op het beslag. Gelet daarop zal het hof tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich – op één geval na, samen met een ander – gedurende een tijdsbestek van drie maanden schuldig gemaakt aan een serie van strafbare feiten bestaande uit vier oplichtingen, een afpersing, een afdreiging en een openlijke geweldpleging.
De verdachte en zijn medeverdachte hebben zich op verschillende chatsites voorgedaan als een meisje/vrouw en hebben vervolgens seks en erotisch getint beeldmateriaal aangeboden, waarvoor een (aan)betaling moest worden gedaan. In enkele gevallen werden de kopers, zodra er was betaald, door de verdachte en/of zijn medeverdachte in de (valse) hoedanigheid van politieagent benaderd. De kopers werd voorgehouden dat zij kinderpornografisch materiaal hadden gekocht en dat zij daarom een boete moesten betalen om strafvervolging te voorkomen. Door de kopers werd hieraan voldaan. In een ander geval werd een koper “afgestraft”, omdat hij niet inging op het aanbod om meer beeldmateriaal te kopen. Zijn telefoonnummer werd onder een advertentie geplaatst als gevolg waarvan het slachtoffer veelvuldig door onbekende personen om naaktfoto’s werd benaderd. Het telefoonnummer zou pas worden verwijderd als het slachtoffer zou betalen, hetgeen het slachtoffer heeft gedaan. Een ander slachtoffer is door de verdachte en zijn medeverdachte gedwongen om geld te betalen, omdat gedreigd werd dat naaktfoto’s van hem op internet geplaatst zouden worden. In weer een ander geval werd door de verdachte en/of zijn medeverdachte in de (valse) hoedanigheid van een meisje/vrouw een seksafspraak gemaakt. Bij de fysieke ontmoeting werd het slachtoffer vervolgens gedwongen om geld af te staan, waarbij geweld en bedreiging met geweld niet werden geschuwd.
De verdachte en zijn medeverdachte hebben op deze doortrapte en slinkse wijze in een kort
tijdsbestek veel slachtoffers gemaakt.
Met de rechtbank rekent het hof de verdachte aan dat hij op bovengenoemde wijze inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van een ander en doelbewust mensen financieel heeft
benadeeld. Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 van parketnummer 01-177673-20 overweegt het hof nog in het bijzonder dat de verdachte en zijn medeverdachte een zeer bedreigende en angstige situatie hebben gecreëerd voor slachtoffer [slachtoffer 1] . Door bovendien geweld tegen hem te gebruiken, als gevolg waarvan hij letsel heeft bekomen, hebben de verdachte en zijn medeverdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Ten aanzien van het onder parketnummer 01-017042-22 bewezenverklaarde feit acht het hof het bijzonder kwalijk dat de verdachte zich ten opzichte van slachtoffer [slachtoffer 2] heeft voorgedaan als politieagent – zelfs met toezending van een foto van een (vals) politielegitimatiebewijs – en daarmee het vertrouwen dat mensen in politieambtenaren moeten hebben, heeft misbruikt en geschaad. Met zijn planmatige handelen heeft de verdachte aangetoond dat hij enkel uit is geweest op zijn eigen financiële gewin en dat hij op geen enkel moment heeft stilgestaan of willen staan bij de gevolgen die zijn handelen voor de slachtoffers heeft gehad. Net als de rechtbank, rekent ook het hof de verdachte(n) aan dat zij kennelijk kwetsbare slachtoffers hebben uitgezocht dan wel mensen moedwillig in een lastig en compromitterend parket hebben gebracht, waarbij de kans dat deze slachtoffers aangifte zouden doen zeer klein geacht kon worden.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, dan ook niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die (mede) een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft daarbij ook gelet op de omstandigheid dat de destijds nog maar 19 jaar oude verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 september 2023, niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld en derhalve in deze zaak als first offender dient te worden beschouwd. Voorts blijkt uit voornoemd uittreksel dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Het hof heeft ook rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Over de persoon van de verdachte zijn verschillende rapportages uitgebracht, onder meer een Pro Justitia rapportage van psycholoog H.E.W. Koornstra van 2 oktober 2020, het
reclasseringsrapport van 12 oktober 2022 en het door de verdediging overgelegde (in een andere strafzaak tegen de verdachte opgemaakte) reclasseringsrapport van 7 september 2023.
Psycholoog Koornstra heeft in het rapport van 2 oktober 2020 geconcludeerd dat niet tot een concrete diagnose van de verdachte gekomen kon worden. Mogelijk is bij de verdachte (nog) sprake van Attention Deficit Disorder (ADD). Een Autismespectrumstoornis (ASS) kon niet geheel worden uitgesloten. Wel is bij de verdachte sprake van duidelijke antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken. Vanwege de destijds ontkennende houding van de verdachte heeft de psycholoog geen verband kunnen leggen tussen de beschreven pathologie en de doorwerking daarvan ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten. De kans op herhaling werd laag ingeschat en lijkt afhankelijk te zijn van de kwetsbaarheid van de verdachte in de zin van dat hij erg weinig reflectief blijkt te zijn als hij beslissingen neemt, en van zijn onverschilligheid en de beperkte empathische vermogens, waarbij hij geneigd is eigen gedrag goed te praten, te bagatelliseren en rationaliseren. De psycholoog heeft zich onthouden van advies voor interventies die de kans op herhaling zouden kunnen beperken, maar heeft wel opgemerkt dat reclasseringstoezicht een bijdrage zou kunnen leveren aan een betere structurering van het leven van de verdachte.
De reclassering schrijft in het rapport van 12 oktober 2020 op de verschillende leefgebieden van de verdachte problemen te hebben geconstateerd. Een stabiele dagbesteding en het toezicht van de ouders van de verdachte lijken risicoverlagend te zijn. Opgemerkt wordt evenwel dat de verdachte tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak is gerecidiveerd en zich niet altijd aan de aan die schorsing verbonden voorwaarden te hebben gehouden. Als de verdachte vervolgens wordt aangesproken op zijn verantwoordelijkheden, lijkt hij echter open te staan voor gedragsverandering.
Uit het rapport van 7 september 2023 volgt dat de reclassering bij de verdachte inmiddels enige motivatie betreffende gedragsverandering en hulpverlening ziet. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en het door de verdediging overgelegde bevel van de rechtbank Midden-Nederland volgt dat de voorlopige hechtenis in een andere zaak tegen de verdachte met ingang van 6 oktober 2023 is geschorst. Aan die schorsing zijn een aantal voorwaarden verbonden, waaronder begeleiding door de reclassering en het vinden en behouden van (on)betaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De verdachte heeft verklaard dat hij voorlopig bij zijn moeder in huis woont en dat hij, samen met zijn vader, een logistieke onderneming heeft opgestart, waaruit hij ook inkomsten heeft. De verdachte ‘hangt’ niet meer op straat en heeft het contact met de medeverdachte verbroken. Het hof overweegt dat uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een positieve ontwikkeling in het leven van de verdachte, maar dat die ontwikkeling nog wel heel pril is.
Bij de straftoemeting heeft het hof ook aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten voor vermogensdelicten met geweld en bij uitspraken in soortgelijke strafzaken. Alles afwegende, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van 75 dagen voorarrest, alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, passend en geboden. Het hof is van oordeel dat met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking wordt gebracht en anderzijds de strafoplegging dienstbaar wordt gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof gaat daarmee dus voorbij aan de door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan de advocaat-generaal bevestiging heeft gevorderd. Het hof is voorts van oordeel dat ook de door de verdediging verzochte afdoeningsmogelijkheden geen recht doen aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de persoon van de verdachte. Het hof ziet evenwel, net als de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging, geen noodzaak tot het verbinden van bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke strafdeel, gelet op het kader waarin de verdachte zich reeds bevindt.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Het hof gaat in dit geval uit van een termijn van 2 jaren per instantie, nu de verdachte het proces grotendeels in vrijheid heeft afgewacht.
In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden. Immers, de redelijke termijn is aangevangen op 25 mei 2020, de dag waarop de verdachte inzake parketnummer 01-017042-22 in verzekering is gesteld en als verdachte is gehoord. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 16 februari 2023. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. In eerste aanleg is aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim 8 (bijna 9) maanden, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die deze overschrijding rechtvaardigt.
Op 1 maart 2023 is door de verdachte hoger beroep ingesteld en het hof wijst arrest op 24 november 2023. Hoewel het hof de zaak in hoger beroep voortvarend heeft behandeld, is die omstandigheid – anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd – geen reden om te volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof is van oordeel dat dit matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Zonder schending van de redelijke termijn in eerste aanleg zou, zoals hiervoor is overwogen, een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, passend zijn geweest. Nu evenwel de redelijke termijn met ruim 8 maanden is geschonden, zal worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, alsmede de eerder genoemde taakstraf.
Beslag
Onder de verdachte zijn 2 (dezelfde) sleutels van een brom-/snorfiets van het merk Vespa en 1 zilverkleurige kluissleutel in beslag genomen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat deze sleutels niet van hem zijn, maar dat één of meer van die sleutels mogelijk aan de medeverdachte [medeverdachte] toebehoren. Nu thans niet kan worden vastgesteld aan wie de sleutels toebehoren, zal het hof daarvan – anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd – de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 60a, 63, 141, 312, 317, 318 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op het beslag en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
 2 2 sleutels van een brom-/snorfiets;
 2 1 kluissleutel.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. W.F. Koolen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 24 november 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.