In deze zaak stond de ontnemingsvordering centraal die door de officier van justitie was ingesteld tegen verdachte, die was veroordeeld voor medeplegen van het bewerken en verwerken van cocaïne. De rechtbank had de ontnemingsvordering afgewezen, maar het hof vernietigt dit vonnis en stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €245.844.
Het hof baseert zich op een uitgebreid ontnemingsrapport en aanvullend forensisch onderzoek, waaruit blijkt dat in een woning een cocaïneversnijdingslaboratorium werd aangetroffen. Er werd een grote hoeveelheid versneden en onversneden cocaïne gevonden, evenals middelen zoals Tetramisole en aceton die gebruikt worden bij het versnijden. De totale opbrengst minus kosten resulteert in een netto voordeel van circa €3,7 miljoen, waarvan een deel aan verdachte wordt toegerekend.
Hoewel de verdediging zich verzette tegen het gebruik van een zogenaamd "cokeboek" voor de toerekening van het voordeel, oordeelt het hof dat dit document niet bruikbaar is, maar dat op basis van de vastgestelde rollen van de betrokkenen en de proceshouding van verdachte voldoende aanknopingspunten bestaan voor toerekening. Het hof deelt het voordeel toe aan de betrokkenen, waarbij verdachte een bedrag van €245.844 wordt toegerekend.
Het hof legt verdachte de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen en bepaalt de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen. Tevens constateert het hof een lichte overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, zonder verdere gevolgen.