Deze zaak betreft het verzoek van de moeder tot vernietiging van de erkenning van haar minderjarige kind door de vader, en het verzoek tot wijziging van de achternaam. De moeder gaf toestemming voor erkenning tijdens haar zwangerschap, maar stelt dat zij destijds leed aan een tijdelijke geestelijke stoornis, waardoor haar wil ontbrak.
Het hof heeft het advies van de bijzondere curator en de standpunten van partijen afgewogen. De bijzondere curator adviseerde de erkenning in stand te houden, maar het hof oordeelt anders op grond van medische rapporten en het feit dat de moeder ten tijde van de toestemming psychisch kwetsbaar was. De erkenning is daardoor onder invloed van een wilsgebrek tot stand gekomen.
Het verzoek tot vernietiging van de erkenning wordt daarom toegewezen. De wijziging van de achternaam wordt afgewezen, omdat de vernietiging van de erkenning leidt tot terugwerkende kracht waarbij het kind alleen met de moeder in familierechtelijke betrekking staat en de achternaam automatisch wijzigt. Verzoeken van de vader tot gezag en hoofdverblijf worden afgewezen omdat hij juridisch geen ouder meer is.