In deze zaak zijn de ouders in geschil over de zorgregeling en de hoogte van de kinderalimentatie voor hun twee minderjarige kinderen. De rechtbank had de hoofdverblijfplaats bij de moeder vastgesteld en een co-ouderschapsregeling met zorgverdeling om de week en de helft van de vakanties en feestdagen. Tevens werd de alimentatie vastgesteld op €138,50 per kind per maand.
De moeder kwam in hoger beroep en verzocht om aanpassing van de zorgregeling en verhoging van de alimentatie. Zij voerde aan dat de huidige regeling niet in het belang van de kinderen is vanwege loyaliteitsconflicten, slechte communicatie en ongeschikte woonomstandigheden bij de vader. De vader en de Raad voor de Kinderbescherming onderschreven de bestaande regeling en betwistten de noodzaak tot wijziging.
Het hof oordeelde dat de moeder haar zorgen onvoldoende concreet had onderbouwd en dat de communicatieproblemen niet tot wijziging van de zorgregeling leiden. De bestaande regeling werd bekrachtigd. Wel werd de berekening van de kinderalimentatie herzien door rekening te houden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het gewijzigde inkomen van de vader door ouderschapsverlof. Hierdoor werd de alimentatie verhoogd tot €170 per kind per maand vanaf 27 december 2022 en aangepast naar €157 per kind per maand vanaf 1 september 2023.
De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.