Partijen zijn gehuwd geweest en hebben twee minderjarige kinderen. Na de echtscheiding heeft de rechtbank een voorlopige partneralimentatie van € 445,- per maand aan de man toegekend. De man verzocht in hoger beroep om voortzetting van deze bijdrage na 14 februari 2023, stellende dat hij vanwege medische beperkingen en een achterstand op de arbeidsmarkt niet volledig kan werken en onvoldoende inkomen heeft.
De vrouw betwistte de medische beperkingen en stelde dat de man onvoldoende sollicitaties heeft gedaan en niet voldoende heeft onderbouwd waarom hij niet kan werken. Het hof oordeelde dat de man onvoldoende bewijs heeft geleverd van zijn arbeidsongeschiktheid en onvoldoende inspanningen heeft verricht om werk te vinden. Ook was het hof van oordeel dat de man het minimumloon kan verdienen en daarmee in zijn behoefte kan voorzien.
Daarom vernietigde het hof de beschikking van 14 februari 2023 voor zover deze partneralimentatie betrof en stelde de voorlopige bijdrage van € 445,- per maand definitief vast voor de periode tot 14 februari 2023. Het verzoek voor partneralimentatie na die datum werd afgewezen. Het schorsingsverzoek van de man werd niet-ontvankelijk verklaard. Elke partij draagt de eigen kosten van het hoger beroep.