Uitspraak
Raad voor de Kinderbescherming,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de (opvolgend) GI en voogd, vertegenwoordigd door twee medewerkers;
- [minderjarige], bijgestaan door mr. Engwegen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De moeder is in eerste aanleg niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek tegen de machtiging tot gesloten plaatsing van haar zoon in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. De minderjarige staat sinds 2019 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) en is al geruime tijd uit huis geplaatst. De rechtbank had eerder een machtiging verleend voor gesloten plaatsing, welke door het hof was bekrachtigd.
Na de bestreden beschikking heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige beëindigd en de GI benoemd tot voogd. Dit besluit was uitvoerbaar bij voorraad, waardoor de voogdij per 8 november 2023 was aangevangen. Op het moment dat de moeder haar hoger beroep instelde, was zij dus niet langer gezagsdrager en verzorgde zij de minderjarige niet meer als een kind behorende tot haar gezin.
Het hof oordeelt dat de moeder daardoor geen belanghebbende is in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro en verklaart haar niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Een inhoudelijke beoordeling van het verzoek vindt niet plaats. De uitspraak is gedaan door het hof te 's-Hertogenbosch op 30 november 2023.
Uitkomst: De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de machtiging tot gesloten plaatsing van haar zoon.