Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
mr. K.J.H. Hoofs, raadsheer in het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, team Handelsrecht, belast met de behandeling van de zaak met zaaknummer 200.312.958/01 (hierna: de hoofdzaak) van:
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Een raadsheer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch verzocht zich te mogen verschonen van een hoger beroepszaak omdat zij tot 1 januari 2023 als rechter werkzaam was bij de rechtbank Limburg, waar het vonnis in eerste aanleg was gewezen. Zij stelde dat een geschil tussen een partij en de voorzitter van het gerechtsbestuur van die rechtbank mogelijk aanleiding gaf tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.
De verschoningskamer van het hof beoordeelde het verzoek aan de hand van de wettelijke criteria uit artikel 40 juncto Pro artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hierbij werd getoetst of er subjectieve aanwijzingen waren voor partijdigheid en of er een objectieve vrees voor partijdigheid bij een partij kon bestaan, mede gelet op de uiterlijke schijn.
De raadsheer had geen betrokkenheid bij de zaak in eerste aanleg en had geen persoonlijke banden met partijen of de president van de rechtbank Limburg. De kamer oordeelde dat het enkele feit van haar eerdere rechterlijke functie onvoldoende is om een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid aan te nemen.
Daarom werd het verzoek tot verschoning afgewezen en werd de procedure in de hoofdzaak voortgezet zoals die was ten tijde van het verzoek. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 20 maart 2023.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de raadsheer is afgewezen wegens het ontbreken van objectieve vrees voor partijdigheid.