Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2023:4158

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 december 2023
Publicatiedatum
14 december 2023
Zaaknummer
200.329.131_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek partneralimentatie wegens onvoldoende onderbouwing behoefte

De vrouw en de man zijn in 2006 gehuwd en in 2019 gescheiden. De rechtbank Limburg had bepaald dat de man vanaf 1 augustus 2022 een partneralimentatie van €250 per maand aan de vrouw moest betalen. De man ging hiertegen in hoger beroep en betwistte de behoefte van de vrouw aan alimentatie.

De bewindvoerder van de vrouw had de behoefte aan partneralimentatie geschat op €250, maar heeft deze niet onderbouwd met financiële gegevens of een berekening van de huwelijksgerelateerde en aanvullende behoefte. Het hof constateerde dat de vrouw fulltime werkt en dat de bewindvoerder niet heeft aangetoond dat er sprake is van een aanvullende behoefte die niet door de vrouw zelf kan worden voorzien.

Het hof oordeelde dat de bewindvoerder onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd wat de behoefte van de vrouw is, noch is gebleken dat de man is gevraagd inzage te geven in zijn financiële gegevens. Hierdoor kon het hof niet vaststellen dat er behoefte is aan partneralimentatie. Het verzoek is daarom afgewezen en de beschikking van de rechtbank vernietigd. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het verzoek tot partneralimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de behoefte.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 14 december 2023
Zaaknummer : 200.329.131/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/03/312760 / FA RK 22-4786
in de zaak in hoger beroep van:
[de man],
wonende te [woonplaats man] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R.P.H.W. Haas,
tegen
[bewindvoerder] h.o.d.n. [bewindvoeringskantoor],
hierna te noemen: de bewindvoerder;
verweerder in hoger beroep,
advocaat mr. M.C.L.G.J. Ruyters-Stevens,
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 april 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 juni 2023, heeft de man het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin is bepaald dat hij vanaf 1 augustus 2022 een partneralimentatie dient te voldoen van € 250,- per maand en opnieuw rechtdoende het verzoek van de bewindvoerder van de vrouw tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage af te wijzen. Kosten rechtens.
2.2.
Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 7 september 2023, heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 november 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de man, bijgestaan door mr. Haas;
- mr. Ruyters-Stevens namens de bewindvoerder;
- de vrouw.
2.3.1.
De bewindvoerder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het V6-formulier d.d. 25 oktober 2023 van de zijde van de bewindvoerder met producties 2 t/m 6;
- het V6-formulier d.d. 1 november 2023 van de zijde van man met producties 5 t/m 7.

3.De feiten

De vrouw en de man zijn op [huwelijksdatum] 2006 in de gemeente [gemeente] met elkaar gehuwd. De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft op 20 februari 2019 de echtscheiding tussen hen uitgesproken, welke beschikking op 13 mei 2019 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man, met ingang van 1 augustus 2022, een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zal dienen te betalen van € 250,00 per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De man is in deze procedure niet verschenen.
4.2.
De man kan zich niet met deze beslissing verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

5.De beoordeling

5.1.
De grieven van de man gaan over de ingangsdatum, de behoefte van de vrouw en zijn draagkracht. Om proceseconomische redenen begint het hof met het bespreken van de (aanvullende) behoefte van de vrouw.
5.2.
De man voert – samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de vrouw behoefte heeft aan partneralimentatie. Het is onduidelijk waar deze behoefte van de vrouw op is gebaseerd nu de bewindvoerder heeft nagelaten deze behoefte te onderbouwen. De vrouw werkt fulltime en zij moet met dit inkomen geacht worden in haar eigen levensonderhoud te voorzien.
5.3.
De bewindvoerder voert - samengevat – het volgende aan. De bewindvoerder heeft de behoefte van de vrouw geschat op € 250,- omdat hij niet in staat is haar behoefte te berekenen nu hij niet beschikt over de financiële gegevens van de man. Voor de bepaling van de behoefte is het netto-gezinsinkomen tijdens het huwelijk van belang. De man was tijdens het huwelijk van partijen eenverdiener en de bewindvoerder is onbekend met de hoogte van het inkomen van de man. De vrouw is pas gaan werken na het feitelijk uiteengaan van partijen.
5.4.
Het hof overweegt het volgende.
5.4.1.
Voor de vaststelling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan een onderhoudsbijdrage dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Vervolgens is van belang in hoeverre de onderhoudsgerechtigde zelf voorziet of kan voorzien in die huwelijksgerelateerde behoefte: dat is bepalend voor de vraag of er sprake is van een aanvullende behoefte. Aangezien de bewindvoerder om een bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw verzoekt, ligt de plicht om voldoende te stellen over de huwelijksgerelateerde en aanvullende behoefte bij de bewindvoerder.
5.4.2.
De bewindvoerder heeft in eerste aanleg volstaan met de ‘kale’ stelling dat de vrouw behoefte heeft aan € 250,- partneralimentatie. De bewindvoerder heeft in de procedure bij de rechtbank alsook bij het hof echter nagelaten om de huwelijksgerelateerde behoefte en de aanvullende behoefte van de vrouw te berekenen of op zijn minst toe te lichten. Niet gebleken is dat de man is gevraagd om inzage te geven in zijn financiële gegevens over de periode dat partijen nog gehuwd waren.
De bewindvoerder heeft laten weten dat de hoogte van de partneralimentatie een pure schatting is, maar ook deze schatting is niet onderbouwd. Zo heeft de bewindvoerder niet aangetoond of toegelicht wat het (geschatte) gezinsinkomen was ten tijde van de scheiding van partijen, wat voor werk de man deed, hoe de financiële situatie van de vrouw destijds was noch wat (ongeveer) het uitgavenpatroon was van de man en de vrouw ten tijde van het huwelijk. Nu de bewindvoerder dit heeft nagelaten kan het hof niet vaststellen wat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw is en dus ook niet of de vrouw zelf kan voorzien in deze behoefte. Dat betekent dat het hof niet kan vaststellen dat er behoefte is aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud.
5.4.3.
Gelet hierop dient het inleidend verzoek van de bewindvoerder tot het vaststellen van partneralimentatie te worden afgewezen. Aan de beoordeling van de overige grieven komt het hof niet toe.
5.5.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en het verzoek van de bewindvoerder afwijzen.
5.6.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren nu de man en de vrouw gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage betreft in het levensonderhoud van de vrouw.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 april 2023, en opnieuw beschikkende:
wijst af het inleidend verzoek tot vaststelling van een bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.P. de Beij en M.A. Stammes, bijgestaan door mr. T. Kuijs als griffier, en is op 14 december 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.