ECLI:NL:GHSHE:2023:4271

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 december 2023
Publicatiedatum
21 december 2023
Zaaknummer
200.328.053_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:432 BWArt. 1:449 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing opheffing bewind wegens onvoldoende zelfredzaamheid

De rechthebbende heeft bij de rechtbank verzocht het bewind over haar goederen op te heffen. Dit verzoek werd afgewezen, waarna zij in hoger beroep ging. De rechtbank had het bewind ingesteld wegens verkwisting, problematische schulden en later vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand.

In hoger beroep heeft de rechthebbende aangevoerd dat haar herseninfarcten geen invloed hebben op haar denk- en beslissingsvermogen en dat de grondslag voor het bewind is komen te vervallen. Zij wil haar financiën zelf beheren en erkent dat haar zoon bij haar woont, wat financieel begrijpelijk is.

De bewindvoerder betoogde dat de noodzaak tot bewind nog steeds bestaat omdat de rechthebbende niet in staat is haar financiën te beheren, regelmatig tekorten heeft en onvoldoende bewust is van haar financiële situatie. Ook speelt de problematiek rondom haar verslaafde zoon een rol.

Het hof oordeelt dat de rechthebbende onvoldoende heeft aangetoond dat de noodzaak tot bewind is komen te vervallen. Gezien de maandelijkse tekorten, het ontbreken van financiële zelfredzaamheid en het risico op nieuwe schulden, is het bewind noodzakelijk en zinvol. De beschikking van de rechtbank wordt daarom bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het bewind wegens onvoldoende aannemelijkheid van financiële zelfredzaamheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 21 december 2023
Zaaknummer : 200.328.053/01
Zaaknummer eerste aanleg : 10112479 BM VERZ 22-4005
in de zaak in hoger beroep van:
[de rechthebbende],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. R. Odink,
Het hof merkt als belanghebbenden aan:
[de bewindvoerder],
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. S.L.B. Koelman-Duijf.
[zoon] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de zoon van de rechthebbende.
De zaak in het kort:
De rechthebbende heeft verzocht het bewind op te heffen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen en de rechthebbende is het hier niet mee eens.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 maart 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 juni 2023, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het bewind over de goederen van de rechthebbende met onmiddellijke ingang op te heffen.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 augustus 2023, heeft de bewindvoerder verzocht het verzoek van de rechthebbende af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 november 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de rechthebbende, bijgestaan door mr. Odink;
  • de bewindvoerder, bijgestaan door mr. Koelman-Duijf.
2.3.1.
De zoon van de rechthebbende is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet bij de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
  • het V6-formulier met producties van mr. Odink van 21 juni 2023;
  • de brief van mr. Odink van 22 juni 2023, met als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 20 januari 2023;
  • het V6-formulier met producties van mr. Koelman-Duijf van 10 november 2023.

3.De feiten

3.1.
Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 28 februari 2017 zijn met ingang van 1 maart 2017 de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende onder bewind gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden, met benoeming van de bewindvoerder.
3.2.
Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 februari 2022 is de grondslag van het bewind gewijzigd in een bewind op grond van lichamelijke of geestelijke toestand van de rechthebbende.

4.De omvang van het geschil in hoger beroep

4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen.
4.2.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

5.De beoordeling

5.1.
De rechthebbende voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan. Uit de verklaring van de neuroloog van 9 februari 2023 blijkt dat de rechthebbende twee herseninfarcten heeft gehad maar dat deze infarcten geen invloed hebben op het denk- of beslissingsvermogen van de rechthebbende. De rechthebbende heeft deze informatie, te laat, doorgestuurd aan de kantonrechter. De kantonrechter had echter geen duidelijke termijn gesteld waarbinnen de rechthebbende deze verklaring diende op te sturen. Gelet op de verklaring van de neuroloog, is de grondslag voor het voortduren van het bewind komen te vervallen althans heeft deze nooit bestaan, reden waarom het bewind opgeheven dient te worden. Er is geen reden waarom de rechthebbende haar financiën niet zelf kan beheren en de rechthebbende wil laten zien dat ze het zelf kan. De rechthebbende erkent dat haar zoon (weer) bij haar inwoont. Dit is wellicht financieel niet de verstandigste keuze, maar wel een begrijpelijke keuze als moeder zijnde. Het betekent niet dat de rechthebbende geen financieel inzicht heeft. De zoon betaalt immers mee aan de vaste lasten.
5.2.
De bewindvoerder voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan. Bewind kan door de kantonrechter worden opgeheven wanneer de noodzaak tot bewind niet meer bestaat. Niet nodig is dat de lichamelijke of geestelijke toestand die tot bewind aanleiding gaf, niet meer bestaat. De noodzaak tot bewind bestaat bij de rechthebbende nog steeds, nu zij niet in staat is haar financiën zelf te beheren. Recent nog heeft de rechthebbende laten zien dat zij halverwege de maand door haar leefgeld heen is en om extra leefgeld vraagt om eten te kunnen kopen. Bovendien heeft de rechthebbende maandelijks een tekort in haar financiën en lijkt zij zich hier niet van bewust te zijn. De bewindvoerder heeft de financiële problemen met de zoon voorzien en heeft hiervoor een spaarpotje opgebouwd. Dit spaarpotje wordt nu aangewend om het maandelijkse tekort te verhelpen. De rechthebbende stelt dat zij geld ontvangt van haar zoon om in haar kosten te voorzien, maar dit is slechts één keer op de beheerrekening gestort. Voordat er geen bewind meer nodig is, is het nodig dat er eerst wordt toegewerkt naar zelfredzaamheid. Juist dit gaat de rechthebbende niet lukken. De rechthebbende heeft in het verleden budgetbeheer via de Kredietbank gehad. Dat heeft niet geholpen om haar uit de financiële problemen te houden nu zij zelfstandig handelde en niet bleek in te zien wat voor effecten beslissingen hadden op haar financiële situatie. Haar zelfredzaamheid is zeer beperkt en daarbij ervaart de rechthebbende de nodige dwang van haar inwonende, drugsverslaafde, zoon. Door de geestelijke toestand (het niet hebben van een stabiele basis en de onmacht c.q. beperking om de juiste beslissingen te nemen) is het volstrekt duidelijk dat de rechthebbende haar vermogensrechtelijke belangen niet voldoende kan behartigen en dat een beschermingsmaatregel nodig blijft.
5.3.
Het hof overweegt het volgende.
5.3.1.
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW Pro, alsmede ambtshalve.
5.3.2.
Aan de orde is de vraag of de kantonrechter terecht het verzoek tot opheffing van het bewind heeft afgewezen.
5.3.3.
De rechthebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de noodzaak tot bewind niet (langer) bestaat. Uit het dossier en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat de rechthebbende niet zelfstandig in staat is om haar financiële belangen te behartigen. Er is sprake van maandelijkse tekorten met betrekking tot de vaste lasten. Als gevolg hiervan teert zij in op het door de bewindvoerder gereserveerde vermogen. De rechthebbende staat haar verslaafde zoon (opnieuw dan wel nog steeds) toe om bij haar in te wonen, zonder dat dit wordt besproken met de bewindvoerder of de gemeente en terwijl ze weet dat dit gevolgen zal hebben voor haar uitkering. Ze is daardoor geconfronteerd met een verlaging van haar uitkering. De rechthebbende lijkt zich hiervan niet althans onvoldoende bewust. Bovendien loopt zij als gevolg hiervan andere (nodige) inkomsten mis, zoals de huurtoeslag. De rechthebbende heeft wel aangegeven dat haar zoon maandelijks verschillende bedragen betaalt ter compensatie van de bedragen die zij misloopt vanwege deze inwoning, maar uit niets is gebleken dat en zo ja, in welke mate hiervan daadwerkelijk sprake is. De zoon betaalt in ieder geval niet aan de bewindvoerder om bij te dragen in de vaste lasten of om de maandelijkse tekorten te compenseren. De rechthebbende is evenmin voldoende op de hoogte van haar financiële positie en ze vraagt regelmatig aan de bewindvoerder extra geld omdat ze tekort komt. In het verleden heeft de rechthebbende vaker moeite gehad met het beheren van haar vermogen en er is meermaals sprake geweest van schulden. Alhoewel het hof begrijpt dat de rechthebbende een kans wil krijgen om haar financiële zelfredzaamheid te vergroten, dient deze zelfredzaamheid eerst komen vast te staan, althans haalbaar te worden geacht, voordat het bewind kan worden opgeheven. Ter voorkoming van nieuwe schulden of andere financiële problemen in de toekomst acht het hof het van belang dat de rechthebbende nog wordt begeleid en wordt bijgestaan door de bewindvoerder. De omstandigheid dat de herseninfarcten geen invloed hebben op haar denk- en of beslissingsvermogen doet aan het voorgaande niet af.
5.4.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de onder bovenvermeld zaaknummer gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 maart 2023.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.N.M. Antens en E.M.C. Dumoulin en is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.