ECLI:NL:GHSHE:2023:4297

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 december 2023
Publicatiedatum
28 december 2023
Zaaknummer
200.333.454_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid ouders in hoger beroep tegen uithuisplaatsing minderjarigen

Deze zaak betreft het hoger beroep van de ouders tegen de beschikking van de rechtbank Limburg waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van hun minderjarige kinderen werd verleend.

De kinderen stonden sinds 2021 onder toezicht van de gecertificeerde instelling en waren eerder uit huis geplaatst geweest. De rechtbank had de ondertoezichtstelling verlengd en de GI gemachtigd tot uithuisplaatsing in een pleeggezin.

De ouders waren het niet eens met deze beslissing en kwamen in hoger beroep. Tijdens de mondelinge behandeling trokken zij hun hoger beroep in, omdat een latere beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing in een jeugdhulpaccommodatie verleende en de kinderen inmiddels in een gezinshuis verbleven.

Het hof concludeerde dat de ouders hun grieven niet langer handhaafden en verklaarde hen niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De beschikking werd op 28 december 2023 uitgesproken.

Uitkomst: De ouders zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep tegen de uithuisplaatsing van hun minderjarige kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 28 december 2023
Zaaknummer : 200.333.454/01
Zaaknummers 1e aanleg: C/03/321225 / JE RK 23-1463 en C/03/322199 / JE RK 23-1607
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
en
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
verzoekers in hoger beroep,
hierna samen te noemen: de vader en de moeder, dan wel gezamenlijk: de ouders.
advocaat: mr. J.E.A.H. Verstraelen,
tegen
de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Deze zaak gaat over:
-
[minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ),
geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ;
-
[minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ),
geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 september 2023, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2. Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2023, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin met ingang van 21 september 2023, alsnog af te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 november 2023, heeft de GI verzocht het door de ouders ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
2.3.
De ouders zijn ook in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank van 27 oktober 2023 waarin – voor zover thans van belang – aan de GI een machtiging is verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 6 november 2023 tot uiterlijk 21 september 2024; deze zaak is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.334.797/01.
2.3.1.
Gelet op de verknochtheid van de onder nummers 200.333.454/01 en 200.334.797/01 ter griffie ingeschreven zaken, heeft het hof beide zaken op de mondelinge behandeling behandeld. Er is in een afzonderlijke beschikking op de zaak met zaaknummer 200.334.797/01 beslist.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 december 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de ouders, bijgestaan door mr. Verstraelen;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2].
2.4.1.
De raad heeft het hof bij brief d.d. 27 november 2023 bericht niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn.
2.5.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de ouders op 20 november 2023.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de moeder is [minderjarige 1] geboren.
Uit de relatie van de moeder en de vader is [minderjarige 2] geboren.
De vader heeft, hoewel hij niet de biologische ouder is van [minderjarige 1] , beide kinderen erkend.
De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over de kinderen.
3.1.1.
De moeder is thans opnieuw in verwachting. Zij is uitgerekend op [datum] 2024.
3.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 29 december 2021 onder toezicht van de GI.
De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 21 september 2024.
Inmiddels is duidelijk dat er ook een ondertoezichtstelling is verzocht over het nog ongeboren kind van de ouders.
3.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn van 17 maart 2022 tot 30 juni 2022 uit huis geplaatst geweest. Daarna zijn de kinderen weer bij de moeder teruggeplaatst.
3.4.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 21 september 2024.
Bij deze beschikking heeft de rechtbank eveneens aan de GI een machtiging verleend om de kinderen uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van één jaar, derhalve tot 21 september 2024.
3.5.
De ouders kunnen zich – wat betreft de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] – met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.
3.6.
De advocaat van de ouders heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het door de ouders ingestelde hoger beroep tegen de bestreden beschikking van 21 september 2023 ingetrokken omdat het onderhavige hoger beroep inmiddels is achterhaald door de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 27 oktober 2023. Bij genoemde beschikking is aan de GI een machtiging verleend om de kinderen met ingang van 6 november 2023 voor de duur van de ondertoezichtstelling dus tot 21 september 2024, uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De kinderen verblijven inmiddels ook in een gezinshuis.
3.7.
Het hof maakt hieruit op dat de ouders hun grieven niet langer handhaven. Dit brengt met zich dat de ouders niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in het verzoek in hoger beroep.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de ouders niet-ontvankelijk in het verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, H. van Winkel en M.I. Peereboom en is op 28 december 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.