De betrokkene is veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 20 december 2004 tot en met 13 oktober 2011. De rechtbank Limburg had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €439.122,06 en een betalingsverplichting opgelegd van hetzelfde bedrag. Tegen dit vonnis stelde betrokkene hoger beroep in.
Het hof onderzocht de kasopstelling en corrigeerde deze op diverse punten, waaronder het beginsaldo, legale contante inkomsten en contante uitgaven. Het hof verwierp het bestaan van een economische eenheid tussen betrokkene en medebetrokkene, waardoor alleen de contante geldstromen van betrokkene in de kasopstelling werden betrokken. Diverse stellingen van de verdediging, zoals een lening van €120.000 en huurinkomsten, werden niet of slechts deels aangenomen.
Na correcties kwam het hof tot een wederrechtelijk verkregen voordeel van €335.454. Het hof matigde de betalingsverplichting met 25% vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en de omvang van het voordeel, waardoor de betalingsverplichting €251.590 bedraagt. Tevens bepaalde het hof de maximale duur van de gijzeling op 1080 dagen volgens artikel 36e lid 11 Sr.
Het arrest vernietigt het vonnis van de rechtbank en legt de nieuwe betalingsverplichting en gijzelingstermijn op. De zaak betreft toepassing van artikel 36e Sr zoals dat gold voor de wetswijziging van 1 juli 2011.