De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van haar minderjarige kind door de rechtbank Oost-Brabant. De ondertoezichtstelling was sinds 31 juli 2019 van kracht en verlengd tot 30 april 2023. De moeder betoogde dat de bedreiging van de ontwikkeling van het kind was weggenomen, zij hulp accepteert en de thuissituatie veilig is.
De gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming stelden dat er nog sprake was van een concrete dreiging en dat de moeder haar problematiek nog niet voldoende aanpakt. De moeder heeft inmiddels een behandelplan bij de GGZ en staat op een wachtlijst voor behandeling. Ook is er sprake van speltherapie voor het kind, ondanks eerdere moeizame contacten met hulpinstanties.
Het hof oordeelde dat de wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling niet langer zijn vervuld. De moeder toont voldoende opvoedcapaciteiten, accepteert hulp in het vrijwillig kader, en het gaat goed met het kind. Daarom werd de ondertoezichtstelling met ingang van de uitspraak opgeheven. De eerdere verlenging tot de datum van de uitspraak werd bekrachtigd, het verzoek tot verdere verlenging afgewezen.