Deze zaak betreft het hoger beroep van een minderjarige die sinds mei 2022 in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg verblijft. De rechtbank had machtiging verleend voor zijn gesloten uithuisplaatsing tot mei 2023. De minderjarige en zijn advocaat betwisten deze beslissing en verzoeken om beëindiging of beperking van de gesloten plaatsing, stellende dat hij positief ontwikkelt en geen noodzaak meer is voor een gesloten setting.
De gecertificeerde instelling (GI) voert aan dat de gedragsproblemen van de minderjarige ernstig zijn en voortkomen uit kindfactoren en systematische problematiek. De moeder weigert medewerking aan de hulpverlening, wat de hulpverlening belemmert en een vorm van onttrekking aan jeugdhulp vormt. De GI stelt dat een gesloten plaatsing noodzakelijk blijft om de ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen.
Het hof overweegt dat aan de formele en materiële vereisten van de Jeugdwet is voldaan. Er is sprake van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Hoewel de minderjarige positieve stappen zet, is zijn situatie kwetsbaar en bestaat het risico dat hij door de invloed van zijn moeder alsnog wordt onttrokken aan jeugdhulp. Daarom is voortzetting van de gesloten plaatsing noodzakelijk. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikkingen en wijst het beroep af.