Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de omgangsregeling met haar minderjarige kind, die sinds 2017 onder toezicht staat en sinds 2019 uit huis is geplaatst.
De moeder verzocht om uitbreiding van de omgangsregeling naar een wekelijks weekendcontact, onbepaald begeleid, terwijl de gecertificeerde instelling (GI) dit afwees vanwege de voortdurende strijd van de moeder met instanties en de noodzaak van stabiliteit voor het kind.
Het hof constateerde een wijziging van omstandigheden, waaronder de plaatsing van het kind bij een netwerkpleeggezin en het feit dat de omgang nu begeleid wordt door een familielid. Desondanks oordeelde het hof dat uitbreiding momenteel niet in het belang van het kind is vanwege de ambivalentie en het conflictgedrag van de moeder.
Wel gaf het hof aan dat bij acceptatie van de plaatsing, beëindiging van strijd en gewenning van het kind aan zijn nieuwe situatie een uitbreiding in de toekomst mogelijk is. Het hof liet de verdere invulling en beoordeling over aan de GI en betrokken hulpverlening.
De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd en het verzoek van de moeder afgewezen.