Uitspraak
- ‘medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 1) en
- ‘medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking’ (feit 2),
hij op of omstreeks 27 mei 2019 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 370 hennepplanten, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
hij op of omstreeks 27 mei 2019 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (grote) hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om die/het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen (grote) hoeveelheid elektriciteit onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
hij op 27 mei 2019 te Tilburg opzettelijk heeft geteeld in een pand aan [adres 2] een hoeveelheid van in totaal 370 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.
hij op 27 mei 2019 te Tilburg een hoeveelheid elektriciteit, die toebehoorde aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen hoeveelheid elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juni 2019 (pg. 12-14), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27 mei 2019 (pg. 5-7), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [betrokkene 3] :
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 november 2019 (pg. 29), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (pg. 16-21), te weten een huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro, voor zover inhoudende:
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 22 augustus 2019 (pg. 33-34), met bijlagen (pg. 35-55), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] , namens het slachtoffer [benadeelde] :
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 september 2019 (pg. 56-60), met bijlagen (pg. 61-69), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 17 februari 2023, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 1 november 2022, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (pg. 24), te weten een Overzicht van wijzigingen -
KvK-nummer [kvk-nummer] van de Kamer van Koophandel, voor zover inhoudende:
Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (pg. 61), te weten een Uittreksel Handelsregister Kamer van Koophandel, voor zover inhoudende:
Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (pg. 26), te weten een kwitantie d.d. 1 maart 2019, voor zover inhoudende:
Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (pg. 27), te weten een kwitantie d.d. 1 april 2019, voor zover inhoudende:
Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (pg. 28), te weten een kwitantie d.d. 1 mei 2019, voor zover inhoudende:
- de huurovereenkomst vermeldt als naam van de (vertegenwoordiger van de) huurder “ [betrokkene 2] ”, de overeenkomst is echter ondertekend door “ [naam] ”;
- de verdachte heeft verklaard dat hij een gedeelte van de loods verhuurde en dat het overige gedeelte bij hem als opslagruimte in gebruik was. De overeenkomst bevat evenwel – anders dan is te doen gebruikelijk – geen enkele beschrijving en/of afbakening van het verhuurde;
- de overeenkomst vermeldt een huurprijs van € 650,00. De verdachte heeft daarentegen bij de politie verklaard dat [betrokkene 2] een bedrag betaalde van € 700,00
- de huurovereenkomst bepaalt dat de huurpenningen maandelijks op de bankrekening van de verdachte worden betaald, doch door de verdachte zijn geen enkele betalingsbewijzen en/of bankafschriften geproduceerd;
- de verdachte heeft verklaard dat de aanvang van de huurperiode samenvalt met de oprichtingsdatum van zijn kledingreparatiewinkel. Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel is die onderneming gestart op 1 maart 2018; de overeenkomst vermeldt echter als aanvangsdatum van de verhuur 1 augustus 2018;
- door het hof gevraagd om nadere informatie te verschaffen omtrent [betrokkene 2] en/of om een beschrijving van [betrokkene 2] te geven, bleek de verdachte daartoe niet in staat, dan wel daartoe onwillig.
,nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. De enkele opmerking van de verdediging dat de verdachte het financieel zwaar heeft, leidt niet tot een ander oordeel. De stelling van de verdediging is niet onderbouwd en naar het oordeel van het hof weegt het belang van de benadeelde partij zwaarder. Het hof zal bij de oplegging van de maatregel bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand;
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis;
€ 3.284,83 (zegge: drieduizend tweehonderdvierentachtig euro en drieëntachtig cent)aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
€ 3.284,83 (zegge: drieduizend tweehonderdvierentachtig euro en drieëntachtig cent)materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente van 27 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 42 (tweeënveertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat der Nederlanden niet opheft;