ECLI:NL:GHSHE:2023:795

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 maart 2023
Publicatiedatum
9 maart 2023
Zaaknummer
200.314.769_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:435 BWArt. 1:391 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging onderbewindstelling met wijziging bewindvoerder op verzoek rechthebbende

In deze zaak is in eerste aanleg een onderbewindstelling ingesteld over de goederen van de rechthebbende vanwege diens lichamelijke en geestelijke toestand. De rechthebbende is in hoger beroep gekomen tegen deze beslissing en betwist dat hij niet in staat zou zijn zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Hij voert aan dat het huisartsenjournaal en de medische rapporten onvoldoende onderbouwing bieden en dat hij zichzelf verzorgt en geen schulden heeft.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn de standpunten van de rechthebbende, de huidige bewindvoerder en de door de rechthebbende voorgestelde opvolgend bewindvoerder besproken. Het hof concludeert op basis van het huisartsenjournaal en de bevindingen van de thuiszorg dat de rechthebbende niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Daarnaast is vastgesteld dat de huidige bewindvoerder het verzoek tot onderbewindstelling feitelijk heeft ingediend zonder dat de rechthebbende zijn voorkeur voor een bewindvoerder kon uitspreken.

Het hof volgt de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende en ontslaat de huidige bewindvoerder, benoemt de voorgestelde opvolgend bewindvoerder en bekrachtigt de onderbewindstelling voor het overige. Tevens zijn nadere instructies gegeven over de afwikkeling van het bewind en de registratie daarvan.

Uitkomst: De onderbewindstelling wordt bekrachtigd, de huidige bewindvoerder ontslagen en een nieuwe bewindvoerder benoemd.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 9 maart 2023
Zaaknummer: 200.314.769/01
Zaaknummer eerste aanleg: 9887646 OV VERZ 22-4923
in de zaak in hoger beroep van:
[de rechthebbende],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. L.L. Ross,
Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:
[bewindvoerder] , gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna ook te noemen: de bewindvoerder).

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 20 juni 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 augustus 2022, heeft de rechthebbende verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om eventueel onder verbetering en aanvulling van de gronden en met inachtneming van hetgeen in het beroepschrift is vermeld, zo nodig de beschikking waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek tot onderbewindstelling van de rechthebbende af te wijzen.
2.2.
De bewindvoerder heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen verweerschrift ingediend.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 januari 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de rechthebbende, bijgestaan door mr. Ross;
  • de bewindvoerder;
  • [opvolgend bewindvoerder] , de door de rechthebbende beoogde bewindvoerder (hierna: [opvolgend bewindvoerder] ).
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het V6-formulier van mr. Ross d.d. 8 september 2022 met bijlagen;
  • de bereidverklaring van [opvolgend bewindvoerder] , ingekomen ter griffie van het hof op 16 november 2022.

3.De beoordeling

De feiten
3.1.
Bij de bestreden beschikking van 20 juni 2022 heeft de kantonrechter in de rechtbank ZeelandWest-Brabant, zittingsplaats Tilburg, onder meer een bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de rechthebbende, op grond van de lichamelijke of geestelijke toestand en is [bewindvoerder] benoemd tot bewindvoerder.
3.2.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.3.
De rechthebbende voert in het beroepschrift – samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat rechthebbende vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is om zelf ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. Dit wordt door de kantonrechter niet onderbouwd en het is rechthebbende dan ook niet duidelijk welke geestelijke of lichamelijke problemen in de weg staan aan een behoorlijk eigen beheer van zijn vermogensrechtelijke belangen. Onder verwijzing naar het overgelegde huisartsenjournaal, stelt rechthebbende dat de conclusie van de [thuiszorg] (thuiszorg) en de huisarts, inhoudende dat bewind nodig is, voorbarig is. Op basis van de journaalregels kan niet de conclusie getrokken worden dat bewindvoering nodig is. Uit de journaalregels blijkt dat rechthebbende zichzelf verzorgt, het huishouden doet en zijn medicatie inneemt en dat daarbij geen enkele reden is om aan te nemen dat hij daarin problemen ervaart. De brief van de huisarts staat dus geheel op zichzelf, wordt niet ondersteund door eigen medisch onderzoek en is opgemaakt vóór het afleggen van een huisbezoek. Bovendien blijkt uit het journaal niet dat op het moment van het huisbezoek zorgen naar voren komen en/of dat bewindvoering noodzakelijk is.
Er is geen signalering van verkwisting of een medische diagnose die fysieke en/of psychische zelfredzaamheid in twijfel trekt. Er zijn geen schulden.
De rechthebbende is ook van mening dat de rechtbank ten onrechte zonder zitting op het verzoek heeft beslist en daarmee is de beslissing onzorgvuldig en kan deze niet in stand blijven.
Nu er geen enkele noodzaak tot bewind is, is de rechthebbende niet voornemens mee te werken. De huidige bewindvoerder ervaart dit ook zo. Dat betekent dat het bewind praktisch niet uitvoerbaar is en dus zinloos, hetgeen zou moeten leiden tot opheffing van het bewind (Rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar d.d. 6 januari 2002, ECLI:NL:RBNHO:2022:69).
Tot slot voert de rechthebbende nog aan dat de bewindvoerder bij voorkeur een persoon is die goed bij hem past en waar hij zijn belangen aan toevertrouwt. Mocht het hof van oordeel zijn dat de onderbewindstelling terecht is ingesteld, dan verzoekt de rechthebbende subsidiair om wijziging van de bewindvoerder, in die zin dat de huidige bewindvoerder wordt ontslagen en dat [opvolgend bewindvoerder] wordt benoemd als nieuwe bewindvoerder.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechthebbende, verkort weergegeven, daar nog aan toegevoegd dat hem een formulier is voorgehouden wat hij moest ondertekenen. Dit is gebeurd in de periode dat rechthebbende emotioneel was als gevolg van het overlijden van zijn vrouw. Hij wist niet dat hij daarmee een verzoek deed tot het instellen van bewind.
3.4.
De bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, naar voren gebracht dat zij niet gaat over het al dan niet terecht instellen van het bewind. De bewindvoerder kan niet inschatten of de rechthebbende al dan niet zijn eigen vermogensrechtelijke belangen kan beheren. De bewindvoerder geeft aan dat de rechthebbende niet meewerkt. De rekeningen zijn onder beheer, maar er is geen sprake van begeleiding. Daar is het contact met de rechthebbende niet naar; de bewindvoerder wordt door de rechthebbende niet binnengelaten. De bewindvoerder heeft er geen bezwaar tegen als [opvolgend bewindvoerder] tot bewindvoerder wordt benoemd.
3.5.
[opvolgend bewindvoerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, naar voren gebracht dat de rechthebbende na het overlijden van zijn vrouw naar hem is toegekomen en dat hij de rechthebbende heeft geholpen met de financiën, alsook dat zij van plan waren om naar de notaris te gaan voor het opmaken van een levenstestament. Echter, de rechthebbende zag zich ineens geconfronteerd met de nu bestreden beschikking. Ten tijde van het ondertekenen van het verzoek tot onderbewindstelling, was de rechthebbende niet helemaal zichzelf. [opvolgend bewindvoerder] geeft aan dat er in de toekomst mogelijk een onderbewindstelling nodig is, maar of dat nu ook zo is, dat weet hij niet. [opvolgend bewindvoerder] hoeft de rechthebbende niet wekelijks te helpen met zijn financiën. De rechthebbende weet precies wat er gebeurt met zijn geld en er staan ook geen gekke dingen op de afschriften.
De motivering van de beslissing
3.6.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.6.1.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.
Het bewind kan op grond van het derde lid van voornoemd artikel eveneens worden ingesteld indien te verwachten is dat rechthebbende binnen afzienbare tijd in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren.
3.6.2.
Het hof is van oordeel dat uit de processtukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 aanhef Pro en sub a BW, als gevolg waarvan de rechthebbende niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. In het huisartsenjournaal, waarin ook de bevindingen van [thuiszorg] zijn opgenomen, blijkt dat er voldoende aanknopingspunten zijn om te komen tot die conclusie. Uit voornoemd journaal blijkt dat reeds op 22 februari 2022 is geconstateerd dat rechthebbende – die thans zesentachtig jaar oud is – “er vanaf [lijkt] te raken”, alsook (d.d. 23 maart 2022) dat sprake is van “geheugen-/concentratie-/oriëntatiestoornissen)”. [thuiszorg] heeft aangegeven dat de cognitie van rechthebbende achteruit gaat en dat bewindvoering naar hun inschatting nodig is (d.d. 17 mei 2022). Tevens blijkt uit het journaal voldoende van ook bij de huisarts toenemende zorgen omtrent de toestand van rechthebbende.
Dat de rechthebbende zichzelf verzorgt, het huishouden doet en zijn medicatie inneemt, kan, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel leiden. Zo de rechthebbende deze handelingen al zelfstandig kan verrichten, dan is daarmee nog niet gegeven dat hij óók in staat is zelfstandig zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen. De huisarts heeft niet voor niets een verzoek tot bewindvoering ondersteund. Daarvoor is voldoende steun in het huisartsenjournaal te vinden. Dat het door de huisarts afgelegde huisbezoek heeft plaatsgevonden nádat de huisarts een brief ter ondersteuning van het bewind heeft geschreven, doet daar niet aan af. De rechthebbende bezocht de huisarts immers zeer frequent, zo blijkt uit het huisartsenjournaal, en het huisbezoek heeft alleen bevestigd wat reeds uit het journaal naar voren is gekomen.
De rechthebbende heeft overigens voordat het bewind werd ingesteld, te weten na het overlijden van zijn vrouw eind november 2021, contact gezocht met [opvolgend bewindvoerder] met het verzoek om hem te helpen met (de afwikkeling van) de financiën. Bovendien heeft hij het verzoek tot onderbewindstelling ondertekend, zonder zich, volgens zijn eigen stelling, bewust te zijn van wat hij feitelijk ondertekend heeft. Dit bevestigt het beeld dat ook het hof tijdens de mondelinge behandeling van de rechthebbende heeft gekregen, te weten dat hij op grond van zijn geestelijke toestand niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.
3.6.3.
Ingevolge artikel 1:435 lid 3 BW Pro volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.
3.6.4.
Het hof stelt vast dat het verzoek tot onderbewindstelling feitelijk is ingevuld en ingediend door de huidige bewindvoerder. De bewindvoerder heeft onder punt 9 van dit formulier verzocht “om zonder akkoordverklaring dossier te behandelen” en onder punt 10 van het formulier aangegeven dat de rechthebbende de strekking van het verzoek niet kan begrijpen. Aldus is de rechthebbende niet in de gelegenheid geweest om zich uit te spreken over zijn voorkeur voor de persoon van de bewindvoerder.
Thans is gebleken dat de rechthebbende, indien het bewind wordt gehandhaafd, graag wil dat [opvolgend bewindvoerder] tot bewindvoerder wordt benoemd. [opvolgend bewindvoerder] , een vriend van de rechthebbende, heeft zich zowel door middel van een formulier “bereidverklaring bewindvoerder” als tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, bereid verklaard om benoemd te worden tot (opvolgend) bewindvoerder. De huidige bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat zij geen bezwaar heeft tegen de benoeming van [opvolgend bewindvoerder] als bewindvoerder. Nu ook het hof niet is gebleken van enig bezwaar daartegen, zal het hof – na ontslag van de huidige bewindvoerder – [opvolgend bewindvoerder] tot (opvolgend) bewindvoerder benoemen.
3.6.5.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep met ingang van heden vernietigen, alleen voor zover het de benoeming van de bewindvoerder betreft. Voor het overige wordt de bestreden beschikking bekrachtigd.
3.6.6.
Het hof zal hierna voorts bepalen dat een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant in verband met aantekening in het Centraal Curatele- en Bewindregister.

4.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 20 juni 2022 voor zover het de benoeming van [bewindvoerder] tot bewindvoerder betreft met ingang van 1 april 2023;
verleent met ingang van 1 april 2023 aan [bewindvoerder] voornoemd ontslag als bewindvoerder over de goederen van [de rechthebbende] , geboren te [geboorteplaats] (Nederlands-Indië) op [geboortedatum] 1937, wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ;
benoemt met ingang van 1 april 2023 [opvolgend bewindvoerder] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] , tot opvolgend bewindvoerder;
bepaalt dat de voormalig bewindvoerder binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de opvolgend bewindvoerder en een - zo mogelijk door hen voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Oost-Brabant overlegt;
bepaalt dat de opvolgend bewindvoerder binnen drie maanden na aanvang van het bewind een beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen dient op te maken en een afschrift daarvan dient in te leveren ter griffie (het Bewindsbureau) van de rechtbank Oost-Brabant;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW Pro een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant in verband met aantekening in het Centraal Curatele- en Bewindregister;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, C.N.M. Antens en E.M.C. Dumoulin en is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.