Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2023:797

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 maart 2023
Publicatiedatum
9 maart 2023
Zaaknummer
200.314.429_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:377e lid 1 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzegging omgangsrecht moeder met minderjarige wegens zwaarwegende belangen kind

De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank die haar het omgangsrecht met haar minderjarige kind ontzegde. De vader had verzocht om de zorgregeling te wijzigen en omgang met de moeder te ontzeggen, omdat omgang volgens hem het herstel van het kind zou belemmeren. De moeder wilde de omgang hervatten, al dan niet met opbouw, en stelde dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom ontzegging in het belang van het kind zou zijn.

Het hof heeft het belang van het kind centraal gesteld. Het kind volgt een EMDR-behandeling gericht op traumaverwerking en hechtingsproblematiek. Zowel de behandelaar als de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden om het contact tijdens de behandeling niet te hervatten. Het hof oordeelde dat omgang op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind en dat de ontzegging daarom terecht is. De ontzegging is niet in tijd beperkt omdat de duur van de behandeling niet concreet is.

De moeder kon tijdens de mondelinge behandeling niet worden gehoord vanwege gebrek aan contact. Het kind is wel gehoord en heeft zijn mening kenbaar gemaakt. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd omdat partijen een relatie hebben gehad en de procedure over hun kind gaat. Het hof wijst het beroep van de moeder af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontzegging van het omgangsrecht van de moeder met het kind en wijst het beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 9 maart 2023
Zaaknummer: 200.314.429/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/393161 / FA RK 21-6126
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M. Metin,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.B. de Bree.
Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland (locatie [locatie] ),
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 17 mei 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 augustus 2022, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog te beslissen dat het verzoek van de vader wordt afgewezen en de omgang (al dan niet met een opbouw) wordt hervat.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 november 2022, heeft de vader verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen en het verzoek van de moeder af te wijzen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 januari 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • mr. Metin, namens de moeder;
  • de vader, bijgestaan door mr. de Bree;
  • de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad].
2.3.1
Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de moeder naar voren gebracht dat zij, ondanks pogingen daartoe van haar zijde, al maanden geen contact kan krijgen met de moeder. Zij kan dan ook geen toelichting geven omtrent de actuele stand van zaken. Derhalve wordt om aanhouding van de mondelinge behandeling verzocht. Indien het hof dat verzoek afwijst, acht mr. Metin zich overigens voldoende in staat het woord te voeren. Mr. De Bree heeft zich expliciet verzet tegen een aanhouding.
Het hof heeft na een korte schorsing van de mondelinge behandeling beslist dat de zaak in het belang van [minderjarige] niet zal worden aangehouden. De mondelinge behandeling heeft aldus, buiten aanwezigheid van de moeder, plaatsgevonden.
2.3.2.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] , na een daartoe strekkend verzoek, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.
Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en de voorzitter heeft in aanwezigheid van de griffier op 25 januari 2023 buiten aanwezigheid van partijen en de raad met [minderjarige] gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 17 maart 2022.

3.De beoordeling

De feiten
3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie [minderjarige] is geboren.
3.2.
De vader heeft [minderjarige] erkend. Bij beschikking van 3 maart 2016 zijn partijen
gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] en tevens is [minderjarige] met ingang van die datum onder toezicht gesteld van de Gecertificeerde Instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, voorheen Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna: de GI).
3.3.
[minderjarige] verblijft sinds 26 april 2017 bij de vader. Bij beschikking van 8 november 2018
heeft de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader bepaald.
3.4.
Bij beschikking van 15 februari 2019 heeft de rechtbank op verzoek van de GI een zorgregeling vastgesteld tussen [minderjarige] en de moeder op grond waarvan [minderjarige] éénmaal per twee weken van vrijdagmiddag na school tot zondag 17.00 uur bij de moeder verblijft. Voor de feestdagen is een aanvullende regeling vastgesteld.
3.5.
Bij beschikking van 11 juni 2020 heeft de rechtbank bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan aan de vader alleen toekomt.
3.6.
De ondertoezichtstelling is beëindigd op 28 november 2020.
3.7.
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) op 21 december 2021, heeft de vader verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad, de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking d.d. 15 februari 2019 te wijzigen, inhoudende dat wordt bepaald dat er geen omgangsverplichting zal gelden tussen [minderjarige] en de moeder.
3.8.
De moeder heeft tegen dat verzoek verweer gevoerd en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om het verzoek van de vader af te wijzen. De moeder heeft voorts bij wege van zelfstandig verzoek verzocht te bepalen dat de omgang conform beschikking, al dan niet met een opbouw, met spoed wordt hervat. Althans, een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht.
3.9.
Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank de beschikking van 15 februari 2019 aldus gewijzigd dat – uitvoerbaar bij voorraad – de moeder met ingang van de datum van die beschikking de omgang met [minderjarige] wordt ontzegd en het meer of anders verzochte afgewezen.
3.10.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.11.
De moeder voert, samengevat, in het beroepschrift het volgende aan. De rechtbank heeft niet deugdelijk gemotiveerd aan welke ontzeggingsgrond ex artikel 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt voldaan. De moeder is het niet met de rechtbank eens dat de ontzegging (voor onbepaalde tijd) in het belang van [minderjarige] is. De moeder denkt in het belang van [minderjarige] , zij wilde rust brengen in het leven van [minderjarige] . Zij begrijpt dat [minderjarige] rust en stabiliteit nodig heeft tijdens zijn behandeling. Het advies van [instantie] is in deze tijd niet tot herstel van de omgang over te gaan. De moeder acht het echter wel in het belang van [minderjarige] dat na zijn behandeling (begeleid) contactherstel plaatsvindt. De raad acht een zo spoedig mogelijk contactherstel na de behandeling van groot belang, aangepast aan wat [minderjarige] aankan. Daarbij heeft de raad aangegeven dat het wenselijk is dat in verband met de wachttijd aanmelding voor begeleide omgang snel plaatsvindt, dus gedurende de behandeltijd, zodat na de behandeling snel met begeleide omgang kan worden gestart. Zowel de moeder als [minderjarige] wordt deze mogelijkheid nu volledig ontnomen, omdat de rechtbank de moeder het recht op omgang heeft ontzegd. Tegen het advies van de raad en, in moeders ogen, tegen het belang van [minderjarige] in, is er een ontzegging voor onbepaalde tijd bepaald.
Voorts stelt de moeder zich op het standpunt dat de vader zich niet houdt aan de informatieplicht. De moeder wenst graag op de hoogte te worden gehouden over het verloop van de behandeling van [minderjarige] .
3.12.
De vader voert in het verweerschrift, kort samengevat, het volgende aan. De omstandigheden ten opzichte van de eerder op 15 februari 2019 gegeven beschikking zijn gewijzigd. Ten eerste hield de moeder zich vaak niet aan de vastgestelde regeling. De vader heeft gemerkt dat het in de periode dat [minderjarige] geen contact had en heeft met de moeder, beter gaat met [minderjarige] . Als [minderjarige] wel naar de moeder ging, dan was zij er vaak niet en liet zij de zorg over [minderjarige] aan haar broers of vader over.
De vader heeft in februari 2021 contact opgenomen met Veilig Thuis, aangezien hij zich zorgen maakte over de emotionele veiligheid van [minderjarige] bij de moeder. Op 18 oktober 2021 heeft Veilig Thuis een melding ontvangen van de moeder en haar moeder (hierna: oma mz). Hierin zijn ernstige, valse, beschuldigingen jegens de vader geuit, hetgeen niet de eerste keer is. De vader acht dit ontoelaatbaar en naar zijn mening laat dit zien dat de moeder niet geschikt is om [minderjarige] op te voeden. [minderjarige] krijgt thans een traumabehandeling met daarin aandacht voor de onveilige hechting van [minderjarige] in de eerste jaren van zijn leven. De behandeling gaat gepaard met verergering van gedragsproblemen, alvorens deze verbeteren. Dit vergt veel van de opvoeders en het opvoedklimaat. De vader vreest dat de moeder hiertoe niet in staat zal zijn. Het is in het belang van [minderjarige] dat het advies van [instantie], inhoudende dat het niet wenselijk is om het contact tussen [minderjarige] en de moeder te herstellen gedurende de behandeling, wordt opgevolgd. Het is niet in het belang van [minderjarige] om hem nu reeds op de wachtlijst te zetten voor begeleide omgang, aangezien er voor hem dan toch de druk op komt te staan dat die begeleide omgang er moet gaan komen, terwijl thans nog niet duidelijk is of begeleide omgang wel in het belang van [minderjarige] is. Het is van belang dat [minderjarige] geen onnodige spanningen gaat ervaren tijdens zijn behandeling en de rechtbank heeft dan ook terecht de ontzegging niet in tijd beperkt.
Wanneer [minderjarige] aangeeft behoefte te hebben aan contact met de moeder wordt dit door de vader gestimuleerd en is de vader bereid medewerking te verlenen aan dat contact.
Nu er geen verzoek tot nakoming van de informatieplicht ter beoordeling voorligt, kan aan die grief van de moeder voorbijgegaan worden. Overigens betwist de vader dat hij zich niet houdt aan de wettelijke informatieplicht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aangevoerd dat de moeder in de gelegenheid is gesteld om contact op te nemen met [instantie] en met school, maar dat zij dit niet heeft gedaan. De vader stuurt maandelijks e-mails naar de moeder met informatie over [minderjarige] . Op 16 januari jongstleden heeft de vader voor het laatst een e-mail teruggekregen van de moeder. Het laatste dat de vader weet, is dat de moeder op vakantie was in Turkije.
3.13.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de moeder zich niet verantwoordelijk en niet in het belang van [minderjarige] gedraagt. De behandeling die [minderjarige] thans volgt kan niet samengaan met contact met de moeder en zij zal dit moeten respecteren. Het proces van [minderjarige] is leidend. Of er in de toekomst contact kan zijn tussen [minderjarige] en de moeder dient alsdan bezien te worden, maar dan moet de moeder er wel voor hem zijn. De raad adviseert om de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
3.14.
Ingevolge artikel 1:377e lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.14.1.
Vaststaat dat er sinds oktober 2021 geen omgang meer plaatsvindt tussen [minderjarige] en de moeder. Aldus is sprake van een wijziging van omstandigheden in vorenbedoelde zin ten opzichte van de beschikking van 15 februari 2019.
3.14.2.
Ingevolge artikel 1:377a lid 3 aanhef BW ontzegt de rechter het recht op omgang – al dan niet voor bepaalde tijd – indien:
*omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind (sub a);
*de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang (sub b);
*het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken (sub c);
*omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind (sub d).
3.14.3.
Het hof is, evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat de moeder op dit moment het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd dient te worden. Daaraan voegt het hof toe dat omgang op dit moment in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] wordt geacht (artikel 1:377a lid 3 aanhef en sub d BW). [minderjarige] volgt een EMDR-behandeltraject, gericht op traumaverwerking en hechtingsproblematiek. De behandeling bij [instantie] is nog volop gaande en voor een succesvol verloop daarvan is het onwenselijk dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] gedurende het de behandeling wordt hersteld. Het hof volgt daarin het eensluidend advies van zowel de behandelaar van [instantie] als de raad. Het hof ziet geen aanleiding om de ontzegging in tijdsduur te beperken, nu het (herstel)proces van [minderjarige] hier leidend is. Er is geen concrete termijn aan de behandeling verbonden en daarmee kan deze ook niet aan de ontzegging worden verbonden, terwijl onnodige spanningen bij [minderjarige] in het belang van zijn herstelproces vermeden dienen te worden.
Voor zover de moeder heeft aangevoerd dat de vader zich niet houdt aan de informatieplicht gaat het hof, nu de moeder hieromtrent niets heeft verzocht in haar petitum en de vader tijdens de mondelinge behandeling overigens het door de moeder daaromtrent gestelde gemotiveerd heeft weersproken, hieraan voorbij.
3.15.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van [minderjarige] , zodat sprake is van een ontzeggingsgrond als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW. De rechtbank heeft derhalve terecht het recht op omgang van de moeder met [minderjarige] ontzegd.
3.16.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
3.17.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie hebben gehad en de procedure betrekking heeft op hun beider kind.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 17 mei 2022, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en P.M.M. Mostermans en is op 9 maart 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.